Twitter Updates 2.2: FeedWitter

29.5.09

Balkenende feliciteert Menno de Bruyne

Daartoe uitgenodigd door good old Julius Vischjager, hoofdredacteur van The Daily Invisible, heeft minister-president Balkenende vanavond Menno de Bruyne gefeliciteerd met zijn 25-jarig jubileum. De premier kan dinsdag vanwege verplichtingen niet bij het SGP-feestje voor Menno zijn, maar het gerucht gaat dat Julius er wel zal zijn en misschien zelfs zal concerteren (een sonate van Scarlatti?)
De persconferentie van Balkenende is hier te zien (de opmerkingen over Menno vanaf minuut 20:22).

Machiavelliste Kathalijne

Op het Europa weblog van de NOS is mijn nieuwe column over de komende Europese verkiezingen verschenen:

Kathalijne Buitenweg van GroenLinks zat vorig jaar thuis in Amsterdam samen met haar Maarten van Poelgeest gezellig op de bank toen ze werd gebeld door niemand minder dan José Manuel Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie. Ze schrok een beetje van dat telefoontje want ze dacht dat ze haar hand had overspeeld en dat Barroso haar de mantel uit zou gaan vegen. Ze had Barroso immers gechanteerd.

Barroso had namelijk lang geaarzeld om iets op de agenda te zetten, een richtlijn tegen discriminatie. Daar kwam gedoe van, vreesde hij. De christen-democraten en enkele lidstaten zagen er niets in, in zo’n richtlijn die discriminatie op grond van leeftijd, seksuele voorkeur of religie in het onderwijs, op de woningmarkt, in het openbaar vervoer en de sociale zekerheid verbiedt.

Zou het toch maar doen, had Kathalijne tegen José gezegd. Weet je nog hoe we de vorige keer de benoeming van die conservatieve Buttiglioni tot eurocommissaris hebben tegengehouden? Dat kunnen we weer doen, hoor, met je eerstvolgende kandidaat-commissaris.

Kathalijne had zich wel een beetje een bitch gevoeld toen ze deze woorden had uitgesproken. Want er was helemaal niets mis met die eurocommissaris, en dat was dus wel een beetje sneu voor hem. En als ze er nog eens over nadacht: had ze überhaupt wel de macht om die benoeming tegen te houden?

Ze dacht dus eventjes, en ze kneep Maarten even in zijn hand, dat Barroso een man was en dat hij haar zou uitschelden vanwege haar chantage. Maar nee, Barroso was geen man. Hij wilde herkozen worden en daarom geen gedonder in de tent. Als jij je nou gedeisd houdt in de hoorzitting over de benoeming, dan zorg ik dat jij met die richtlijn aan de slag kan. Deal?

Dikke deal natuurlijk. Want het Europees Parlement kon nu ‘de laatste hiaten in de anti-discriminatiewetten’ gaan dichten. De corrupte en huichelachtige Kathalijne is nog nooit zo trots op zichzelf geweest.

Die richtlijn is er nu, de Raad van State heeft er al een advies over geschreven, maar het wordt waarschijnlijk pas na de zomer, zo werd deze week duidelijk tijdens een procedurevergadering in de Tweede Kamer, voordat dat advies en het standpunt van Balkenende’s ministersploeg naar buiten komt. Onenigheid in het kabinet natuurlijk.

Zo gaat dat dus. Er komt dankzij een linkse machiavelliste op een smerige manier een Europese richtlijn tot stand die dwars door alle precaire nationale politieke evenwichten heen een gelijkheidsideologie aan alle lidstaten wil opleggen. Die machtsdrang tot uniformering en ideologische gelijkschakeling maakt Brussel en de Europese Unie zo onverteerbaar. En daarom kan de stem van een fatsoenlijk patriot op 4 juni alleen maar naar een eurosceptische partij gaan.

27.5.09

Lof van Menno

Mijn goede vriend Menno de Bruyne herdenkt dezer dagen dat hij al 25 jaar in dienst is van de Tweede-Kamerfractie van de SGP. In de geest spreek ik hem als volgt toe:

Beste Menno,

Je fietste als tiener naar de school in Goes waar ook onze premier school ging, en daarna ging je in Leiden rechten studeren, en daarna ben je in Den Haag voor de SGP gaan werken. Dat heb je volgehouden, tot op de dag van vandaag. En zo ben je erg Haags geworden, zij het op een Britse manier. Maar vóór alles ben je Zeeuw gebleven, afkomstig van het eiland van Kortgene en Colijnsplaat. Toen ik daar op een mooie zomerdag eens verzeild raakte, belde ik je op en vertelde je mij wat het beste restaurant van het dorp was. Mijn vrouw en ik aten er mosselen en dronken er een fles sprankelende witte wijn bij. Het eerste glas hebben we op jou geheven. En dat doen we nu weer: saluut!




We horen niet vaak van je. Dat past ook niet bij je functie. Je bent immers ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van jullie SGP’ers: jullie zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Jullie zullen toch nooit in de regering komen. Jullie blijven dus waarvoor jullie zijn gekomen en zien jullie baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in jullie fractie.

We hebben elkaar in 1994 leren kennen, en we hebben elkaar vanaf het begin graag gemogen – ook toen er enige verwijdering kwam omdat ik bij een organisatie kwam te werken waartoe jij om professionele redenen enige afstand moest bewaren. Ik liep graag bij je langs, in die fraaie kamer met oude meubels die we het Herenlogement hebben gedoopt. Als ik geluk had rook ik op de gang pijptabak en wist ik dat senator Gerrit Holdijk er ook was. Gul deelde je altijd koffie en sigaren en ging je je op zijn allerplezierigst aan een mateloze woordenrijkheid te buiten.

Je humor is vermaard. In het partijblad De Banier heb je een vaste rubriek, de ‘Haagse propjes’. Als propjesschieter wil je nog wel eens mikken op de vroegere, nu kleinlinkse vrienden van de ChristenUnie, die helaas, zo bleek keer op keer, over heel wat minder humor en relativeringsvermogen bleken te beschikken dan jij zelf.

Eén keer heb ik je geïnterviewd, voor een serie over de boekerij van min of meer bekende Nederlanders. In je fraaie appartement in de Haagse wijk Marlot had je een hele avond nodig om te vertellen over je unieke collectie boeken over de Nederlandse parlementaire geschiedenis, die in alle hoeken en gaten van iedere kamer was weggestouwd. Later erfde je de bibliotheek van een vergelijkbare fanaat op het gebied van politieke boeken. Je pikte er zo’n tien boeken uit die je nog niet had – en nu was je collectie toch echt compleet, verzekerde je – en kon daarna de meeste van de duizenden boeken aan anderen doorgeven.

Je hebt ze nog gelezen ook, al die boeken. En daarmee ben je aan het Binnenhof – dat je als geen ander kent - uitgegroeid tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis. Toen Hans Wiegel in 1999 het tweede kabinet-Kok beentje lichtte, was een telefoontje naar jou genoeg om precies te weten wanneer en door wiens toedoen en waarom er eerder in de Eerste Kamer een kabinet ten val was gekomen.

Met je kennis en kunde en je onmodieuze positie belichaam jij een staatsrechtelijke degelijkheid die ons bestel door alle stormen van veranderingen en vernieuwingen heen draagt, en daarmee iets dat nauwelijks nog bestaat.

In 1972 organiseerde de universiteit Groningen een meerdaags, geleerd congres over de historicus Johan Huizinga. Toen hij daar jaren later op terugblikte schreef Ernst Kossmann dat die bijeenkomst zozeer door een ‘elitair en evenwichtig welbehagen’ was beheerst dat het leek of een bepaalde stijl met een laatste buiging afscheid van de samenleving nam.

Aan die uitspraak heb ik moeten denken toen ik dezer dagen aan jou dacht. Dit stukje is dus niet alleen maar een felicitatie, maar ook een revérence. Naar jou en de stijl en traditie die je belichaamt.

Nu zijn wij Calvinisten nuchtere mensen. Maar toch hebben ook wij wel eens heimelijke dagdromen. In mijn mooiste zijn jij en ik lid van de Tweede Kamer. We vormen een tweemansfractie, en dat willen we graag zo houden. We voeren dus geen landelijke campagnes, maar gaan wel regelmatig het land in om met onze achterban te praten. Onze achterban, dat zijn christelijke conservatieven, oud-CHU’ers zeg maar, mensen aan wie jij en ik niets hoeven uit te leggen.

We delen een fractiekamer waarin een oude Chesterfield staat, twee mahoniehouten bureaus en een reusachtige boekenkast waarin de ganse parlementaire geschiedenis en het werk van Edmund Burke en Groen van Prinsterer zijn samengebracht. Een koelkastje herbergt de borrelfles waaruit we ons aan het einde van de middag een glaasje inschenken. Geen kamerbode die er iets van durft te zeggen wanneer we daarbij tevreden gaan zitten roken.

Op dinsdag gaan jij en ik samen in de Posthoorn lunchen en bestuderen we de Kameragenda voor die week bestuderen. Jij doet Zeeland, ik Gouda. Terug aan het Binnenhof lezen we kamerstukken onder klassiek geklank, en ik zie jouw gedachten regelmatig afdwalen en dat je dan een dichtbundel van Ida Gerhardt pakt of een wandelgids voor het Engelse platteland.

Het werk van onze fractie wordt ondersteund door een heus wetenschappelijk instituut, het Ds. J. T. Doornenbal Instituut. We hebben dit kantoor naar de beroemde hervormde predikant van Oene vernoemd omdat we ons geïnspireerd weten door zijn visie op de politiek. In februari 1964 moest ds. Doornenbal in Deventer voor de SGP spreken. Op de uitvlucht: ‘Maar ik ben helemaal geen lid van de SGP!’, had hij ten antwoord gekregen: ‘Dat hindert niet!’. Toen moest hij dus wel gaan, en raakte hij verzeild in de ‘vreemdste politieke samenkomst die ooit op deze planeet gehouden is’. Over politiek is niet gepraat, want daarvan had ds. Doornenbal ook, naar eigen zeggen, ‘niet het allerminste benul’. Hij sprak over de heiliging van de rustdag, maar ten slotte leek de bijeenkomst meer op een gezelschap dan op een politieke vergadering. ‘Elk besprak zijn stand van zaken’ (Groenewegen) en ‘over alle kerkmuren van christelijke- en oud- en nog-meer-Gereformeerd’ vielen de broeders elkaar in het hart. Er was sprake van een ware oecumene, iedereen was er wonderlijk gelukkig mee en na afloop zongen ze blijde psalmen. Het was, schreef ds. Doornenbal later, ‘een alleraangenaamst samenzijn, een verrassing in deze tijd en in een plaats als Deventer. Alleen maar, het had niets met politiek te maken en daarom was het waarschijnlijk zo goed’.

Toen we deze passages uit de bundel Pastorale pennevruchten lazen, keken we elkaar aan en ik zag jou denken en jij mij: wat waren we daar graag bij geweest.

Als we elkaar wat uitvoeriger moeten spreken, gaan we in Marlot jouw hond uitlaten. Daar beramen we een motie van afkeuring omdat het kabinet het heeft bestaan het dorp Colijnsplaat te hebben laten verslonzen. We hebben het politieke tij mee en onze motie haalt het: de tweede nacht van Kersten heet die van De Bruyne-Spruyt. Het eerste felicitatietelegram komt van Hans Wiegel.

26.5.09

Vox Pop

In het Trippenhuis, aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, belegt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen vandaag een congres over het 'populisme'. Ik zal daar een korte lezing geven en daarin iedereen uitnodigen om het populisme niet als een excuus of schaamlap voor het eigen falen te gebruiken, maar het te zien als een kritische vraag aan onszelf.
In de Trouw van afgelopen zaterdag - bijlage Letter&Geest - hebben Amanda Kluveld en ik een lang artikel over dit onderwerp gepubliceerd. Hieronder volgt de tekst van dat artikel:



Populisme is in toenemende mate onderwerp van beschouwing. Voormalig CDA-ideoloog Anton Zijderveld wijdde er het essay 'Populisme als politiek drijfzand' aan en zegde vervolgens zijn partijlidmaatschap op omdat het CDA de populistische PVV niet bij voorbaat wilde uitsluiten van een regeringscoalitie. De Amsterdamse Balie belegde vorige maand de bijeenkomst 'Verlicht populisme', waar minister van wonen, werken en integratie Eberhard van der Laan en ex-LPF-Kamerlid Joost Eerdmans met elkaar in debat gingen over het boek 'Diploma Democracy' van Mark Bovens en Anchrit Wille. En deze maand bogen in Leiden historici zich over de kwestie tijdens het congres 'Populisme in de polder'.

Wat opviel in Leiden, vooral in de beschouwingen over het hedendaagse niet-linkse populisme, was dat het verschijnsel overwegend negatief werd geduid en zelfs geridiculiseerd. Kort gezegd komt het erop neer dat de politieke, culturele en intellectuele elite van Nederland - dat wil zeggen, de mensen die zich in het publieke en politieke debat mengen, zichzelf tot de weldenkenden rekenen en doorgaans bij conferenties over populisme aanwezig zijn - van mening is dat we hier te maken hebben met een moeilijk te definiëren, maar voor iedereen toch min of meer gemakkelijk als 'fout' te herkennen politieke stijl, en met een volgens sommigen zelfs gevaarlijke ideologie.

Een van ons werd tijdens het congres in Leiden door iemand uit het publiek gekenschetst als "een populist naar inhoud maar niet naar stijl". Deze diskwalificatie - de opmerking was niet als compliment bedoeld - is typerend voor de wijze waarop de elite zich afmaakt van de problemen op het gebied van integratie, islamisering en het gebrek aan politieke daadkracht die (echte of vermeende) populisten constateren en willen agenderen. Het zijn in haar ogen kwesties die populisten zélf uit het niets hebben gecreëerd om het volk aan zich te binden. Vooral in de voordracht van historicus Koen Vossen was bitter weinig ruimte voor de erkenning dat het hier mogelijk om reëel bestaande problemen gaat. Met andere woorden: Wilders zuigt die 'tsunami' van islamisering uit zijn kwaadwillige duim. En Fortuyn, Verdonk en EénNL constateerden ten onrechte dat er in ons land sprake is van een multicultureel weg-met-ons-denken, zodat de nationalistische trots die zij daar tegenover willen stellen belachelijk en verwerpelijk is.

Als de populist rancuneus is, zoals in Leiden meerdere malen werd geconstateerd, dan is de elite beslist zelfgenoegzaam. Zo zelfgenoegzaam dat zij zelfs niet in staat is de grote problemen waarmee onze samenleving kampt onder ogen te zien. Zij zal dus voor die problemen geen werkelijke verantwoordelijkheid willen nemen of er een zinnige visie op ontwikkelen. Daarvoor is zij te druk met, zoals Zijderveld in zijn essay deed, het moreel diskwalificeren van het populisme, waarvan doorgaans gezegd wordt dat het geen oplossingen biedt en alleen maar inspeelt op onderbuikgevoelens. Op deze manier komt er geen inhoudelijk antwoord op de uitdagingen van het populisme en de correcties waartoe het de gevestigde politiek dwingt.

Onze stelling luidt dat de houding van de zelfgenoegzame elite en het negeren van nijpende problemen dat met die zelfgenoegzame houding samenhangt, een groot gevaar vormen voor onze democratie. Zeker bezien in het licht van de opkomst van de islam, het multicultureel-links politieke complex en het daaruit voortkomende jammerlijk falende Nederlandse integratiebeleid.

Wij leven in een democratie met als hoogste politieke orgaan een parlement, de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar door het volk gekozen politici onze zaken behartigen, de regering controleren en bij meerderheid van stemmen over ja en nee, goed en fout beslissen. Wij kiezen en kunnen worden gekozen, onze stem is beslissend. Wij, het volk, regeren. Tegelijkertijd zijn er volgens sommigen aanwijzingen dat onze democratische rechtsstaat tekenen van verval vertoont. In 'Tegen de decadentie' (2004) wees de Leidse hoogleraar Paul Cliteur bijvoorbeeld op de bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, op misverstanden over de 'rechterlijke onafhankelijkheid' en op de preoccupatie met rechten waardoor politici stelselmatig veel te hoge verwachtingen wekken bij de bevolking.
Verontrustender is misschien nog wel de kritiek van de vroegere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H. J. Schoo (1945-2007), die van mening was dat Nederland sinds de ontzuiling niet langer over een stabiel politiek systeem beschikt. De politieke elite heeft geen binding meer met een herkenbare achterban, is vervreemd geraakt van de levens en opvattingen van de kiezers en denkt tegelijk voor het eigen bestwil van die kiezers te handelen. Die kinderlijke behandeling was 'de broedstoof' voor 'de revolte der burgers' die in 2002 uitbrak.

De constateringen van Cliteur en Schoo zijn belangrijk, maar tegelijkertijd kunnen we ons afvragen of deze verschijnselen (het verval van de democratische rechtsstaat) de oorzaak van de huidige politieke malheur zijn, of dat het symptomen zijn van dieperliggende (culturele) verschijnselen.

In de klassieke interpretatie van 'democratie' moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan voordat er van democratie sprake kan zijn. Wanneer die voorwaarden ontbreken, is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen.

Wanneer wij het over de 'klassieke interpretatie' hebben, dan bedoelen we dat zo letterlijk mogelijk. In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets dat soms anarchie heet, soms ochlocratie (de regering door de massa), en soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist, oftewel het vuistrecht. In die overgangsfase verandert de sociale, morele en institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaatsmaakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming. In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. "Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder z˙lke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken", schrijft Polybius. In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie.

In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat je behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat je wilt doen of zeggen omdat je dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid. In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat gewoonlijk 'overmoedig' heet, heet in een ochlocratie 'dapper'; wat normaal 'prudent' is, wordt ineens 'laf'. De schaamte wordt een "stommeling die moet worden verbannen". Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.

In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo'n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene. Klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen. Want uiteindelijk is ochlocratie dan wel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

Het staat natuurlijk iedereen vrij zich hardop af te vragen waarom wij ons iets gelegen zouden moeten laten liggen aan de opvattingen van politiek filosofen die al zo'n 2500 jaar dood zijn. Maar wie de afgelopen jaren de Nederlandse politiek heeft gevolgd en daarna kennis neemt van deze klassieke theorie, moet haast wel geraakt worden door de frappante overeenkomsten.

Op de morele en sociale anarchie die het gevolg is van de verkruimeling van ons culturele fundament - door sommigen verdedigd als de grote verworvenheden van 1968 - hebben de grote constituerende partijen van de Nederlandse politiek (CDA, PvdA, VVD) geen antwoord. Dat is om meerdere redenen logisch.

In de eerste plaats omdat een ochlocratie de regering van de massamens is, en de massamens is de gemiddelde mens. Ook de leden van onze elite behoren tot die categorie en vormen daarom in feite geen elite.

In de tweede plaats valt de periode van morele en sociale anarchie in Nederland uitgerekend samen met een periode van immigratie en van de integratie van (vooral islamitische) nieuwkomers. Dat is een grote culturele kwestie waarvoor de leiders van de traditionele politieke partijen niet zijn opgeleid. Die kunnen heel goed met elkaar om de tafel zitten om hier een procentje te plussen en daar wat te minnen ten einde de inkomensplaatjes rond te krijgen. Maar zij zijn niet de virtuozen die een visie op cultuur en identiteit verwoorden. Bovendien zijn hun partijen ontstaan op grond van een fundamentele overeenstemming over heel andere zaken; een interne discussie over immigratie en integratie zal alleen maar tot verdeeldheid leiden. Dat was bij de VVD en de PvdA en recentelijk ook bij het CDA al te zien. Om scheuringen te voorkomen, wordt er gezwegen, en zo lopen de spanningen op.

Een derde reden is dat leden van de gevestigde politieke partijen zich aangetrokken voelen tot de door orthodoxe islamieten uitgedragen boodschap der onbegrepenen en verdrukten, die inspeelt op koloniaal schuldgevoel en het trauma van de Bezetting.
Het falen, kortom, van de politieke elite heeft een reactie opgeroepen - de grofgebekte, verbeten en machteloze reactie van het populisme. En in plaats dat de elite daarvan leert en er een antwoord op formuleert, wuift ze die reactie en daarmee het eigen falen hautain weg. Het camoufleert het eigen falen met moreel correcte praatjes.

Als het hierbij bleef, zou dat al erg genoeg zijn, maar er is meer aan de hand. In toenemende mate kiezen politieke partijen ervoor om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden af te schuiven en culturele verworvenheden in te leveren. Het college van Rotterdam koos ervoor om de Zwitsers-Egyptische islamprediker Tariq Ramadan, kleinzoon van Hassan Al-Banna, stichter van de Moslimbroederschap in Egypte, in te huren als adviseur van de gemeente op het gebied van burgerschap, voor het voeren van de sociale stadsdialoog en als bruggenbouwer tussen allochtonen en autochtonen. Voor Ramadan werd ook een gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit bekostigd.

Nadat Ramadans (internationaal lang en breed bekende) vijandige uitspraken over homo's en vrouwen door de Gay Krant onder de aandacht waren gebracht en uit een door Leefbaar Rotterdam overhandigd filmpje bleek dat hij in het openbaar had gebeden voor de islamitische martelaren in Palestina, Tsjetsjenië, Afghanistan, Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Soedan en Kasjmir, voor de overwinning van de Palestijnen op de vijand van het geloof en voor het zegevieren van de islam, reageerden alle coalitiepartijen (GroenLinks, PvdA, CDA en aanvankelijk VVD) alsof er niets aan de hand was. Ze lazen in de uitspraken en teksten van Ramadan vooral respect en dat was voldoende.

Er kwam een onderzoek en daaruit bleek volgens wethouder Rik Grashoff (GroenLinks) dat de uitspraken van Ramadan verkeerd vertaald waren en uit hun context gehaald. Grashoff liegt, constateerde journalist Max Pam in Binnenlands Bestuur toen hij de vertalingen met elkaar vergeleek. En zo is het.

Maar waarom? Omdat de politieke elite van de stadstaat Rotterdam de verantwoordelijkheid voor integratie en burgerschap - belangrijke zaken in iedere gezonde democratie en daarom direct verbonden aan het in stand houden van onze cultuur en vrijheden - het liefst uit handen geeft. Daar wil Rotterdam graag gemeenschapsgeld aan besteden. De Rotterdamse burger betaalde niet alleen meer dan anderhalf miljoen euro voor Ramadan maar ook voor de aparte zitplaatsen voor orthodoxe moslima's in Theater Zuidplein dat door de gemeente wordt gesubsidieerd.
Ook in de stadstaat Utrecht maakte het college een knieval voor islamitische wensen door het subsidiëren van voor mannen en vrouwen gescheiden doorverwijsloketten bij een moskee in Overvecht waar gemeentelijke informatie te verkrijgen is.

In de stadstaat Amsterdam vond vorige week zaterdag in de Apollohal het Nationaal Islam Congres plaats. Daar bogen orthodoxe moslims zich onder het mom van kennisoverdracht en academische studie over de invoering van de sharia in ons land, prezen ze de superioriteit van de islam en leefden ze zich uit in het ridiculiseren van andersgelovigen, Angela Merkel, homoseksuelen, de westerse democratie en de westerse vrijheden. De boodschap was duidelijk: de islam is niet voor niets in het Westen neergestreken, de islam zal hier de macht krijgen.

Dat zou best zo kunnen zijn, gezien de passieve houding van de eerder genoemde gevestigde politiek tegenover de islam.

De Apollohal is eigendom van de gemeente Amsterdam en staat onder het beheer van stadsdeel Oud-Zuid. Amsterdam faciliteert de fundamentalistische islam door dit gebouw aan het Nationaal Islam Congres te verhuren. Bestuurders met een visie op de verdediging van onze cultuur en identiteit zouden dat nooit laten gebeuren.
Maar wie zoiets durft te zeggen is volgens het politieke midden op z'n minst een populist, extreem-rechts of allebei. Het zij zo. Alleen lossen dergelijke diskwalificaties het echte probleem niet op: de middelmatigheid en visieloosheid van het zo keurige politieke midden.

De middelmaat van het centrum en het vigerende populisme kunnen alleen worden bestreden door een nieuwe elite die weer durft te moraliseren en het niet laat bij zelfgenoegzaam diskwalificeren. Want zoveel is wel duidelijk als we de klassieke analyse van ons huidige politieke klimaat serieus nemen: deze crisis is niet met wat politieke maatregelen en met wat geschuif in de diverse begrotingen op te lossen. Het gaat hier om een kwestie die Frits Bolkestein - het type politicus dat we meer dan ooit nodig hebben - begin jaren negentig als een van de eersten heeft benoemd: het belang om het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat en de vrije markt te bewaren, het belang van de "deugdzaamheid die het voortbestaan van die vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen". De verwerping van deze agenda door de VVD heeft het befaamde gat op rechts geschapen. We moeten dus weer moraliseren, schreef Bolkestein.

Niet, zo vinden wij, moralizeuren. Wij zien niets in politieke bemoeizucht met de persoonlijke levenssfeer. Maar politici moeten wel grote zaken aankaarten als de bescherming van onze cultuur, het tegengaan van de islamisering en de deugden van de burger. De eerder genoemde H.J. Schoo hield een pleidooi voor een terugkeer naar "authentiek, ongezouten moraliseren", want "bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving".

Uiteindelijk gaat het in samenleving en politiek om Selbstzwang, om 'in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing', om het willen nemen van verantwoordelijkheid, om het durven herkennen, benoemen en bestrijden van de vijand. Dit is de noodzakelijke basis voor goed burgerschap. Dat alleen kan de verwording van democratie tot ochlocratie voorkomen.

23.5.09

Frits Bolkestein

Frits Bolkestein is altijd mijn favoriete politicus geweest - zowel vanwege zijn stijl en eruditie als vanwege de inhoud van zijn politieke boodschap. Zesenzeventig jaar oud - en schrijvend aan een boek over intellectuelen en politiek - is hij nog niets van zijn scherpte verloren. In het Nederlands Dagblad van vandaag betoogt hij dat we eens af moeten van de gelijkheidscultuur in Nederland. 'Mensen zijn ongelijk. En godsdiensten ook.' Er is dan ook geen enkele reden, aldus Bolkestein, om de vrijheid van onderwijs ook aan islamitische scholen te gunnen.

16.5.09

Ook Lange Frans is het zat

Op de website van de NOS staat mijn nieuwe blog over de Europese verkiezingen:

In mijn eerdere blogs heb ik wel eens de naam van Eline van den Broek, de Nederlandse lijsttrekster van Libertas, laten vallen. Ze doet het verrassend goed in deze campagne. Ze weet met regelmaat tot de landelijke media door te dringen, wat geen geringe prestatie is voor een nieuwe partij. En ze draagt standpunten uit om je vingers bij af te likken.

Zo verdedigde ze voor de microfoon van Standpunt Café de opvatting, ook ingenomen door de Amerikaanse oud-vice-president Dick Cheney, dat martelen soms gewoon moet. Eline heeft ongetwijfeld ook de boeken van Alan Dershowitz gelezen, en weet dus dat martelen, hoe erg ook, geboden is in een ticking bomb scenario. Martelen mag, ja moet, wanneer een terrorist is opgepakt van wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen aannemen dat hij informatie heeft over nieuwe aanslagen die vele burgers het leven zullen gaan kosten. Zo’n man moet toch echt even worden uitgenodigd om die informatie met ons te delen.

Dapper van Eline om zo’n on-Nederlands standpunt op de Nederlandse radio uit te dragen.

Eline begint anderen inmiddels vrees in te boezemen. Zo werd zij door het tv-programma Nova Politiek (van vrijdag 15 mei) uitgenodigd om mee te doen aan een live-debat met staatssecretaris Frans Timmermans van Europese Zaken. Maar Timmermans weigerde Van den Broek als gesprekspartner, zo liet hij via zijn woordvoerder weten. Omdat ze lijsttrekker van een partij was, terwijl meneer de staatssecretaris alleen een inhoudelijke discussie wilde. (Met een lijsttrekker kun je dus per definitie alleen niet-inhoudelijke discussies voeren? Dat klopt, maar het wordt pijnlijk als een staatssecretaris dat ook vindt.) En dus werd Eline van den Broek bedankt en zat er een linksige, SP-achtige man tegenover Timmermans, de voorzitter van het Comité Ander Europa. Van de man noch van zijn club had ooit iemand gehoord en dat zal wel zo blijven. Maar Timmermans kon nu in het debatje gemakkelijk overeind blijven, en zo had presentatrice Clairy Polak haar partijgenoot Timmermans toch nog een dienst kunnen bewijzen.

Aan het einde van het programma kwam het linkse duveltje wel zeer opzichtig uit het doosje van de publieke omroep schieten. Mevrouw Polak had het over de straat en de elite, de ondeskundigen en de deskundigen. De stem van de straat mag worden gehoord als daaruit maar vooral blijkt hoe dom en ondeskundig gewone mensen zijn, en hoe gelukkig het daarom is dat we ook nog Polaks en Timmermannen hebben.
Duidelijker dan op deze manier kun je niet zeggen: Ja, Wilders heeft gelijk, wij zijn inderdaad van het Noord-Koreaanse staatsjournaal, maar dat kan ons niks schelen want u kunt ons toch niets maken.

Rapper Lange Frans heeft een liedje geschreven (zie de website van Eline van den Broek) waarin hij uitlegt waarom hij voor de harde zakelijkheid van Libertas is. Op 4 juni worden we, als we niet uitkijken, weer voor de gek gehouden door een ‘blinde en corrupte elite’ die ons een referendum over die vermaledijde Grondwet beloofde maar ons die niet gaf. Die geld verspilt en zich doof houdt voor het schreeuwende volk. Hij loopt er niet meer achter aan, rapt Lange Frans, het wordt nu tijd voor een nieuwe partij.

Het is mooi dat er op rechts nu een alternatief is gekomen voor de PVV – die alleen maar eurosceptisch is en het cynisme naar de mond praat. Libertas, zo zou je kunnen zeggen, begrijpt de teleurstelling waarmee de bevolking zich van de politiek afwendt, maar kanaliseert die onvrede in een programma waarin Europa wordt teruggeroepen tot een politiek van haalbare kerntaken.

Ik krijg steeds meer begrip voor andere media die Eline hebben uitgeroepen tot een charmant rechts meisje dat – vergis u niet – zich als een provocatieve mini-Thatcher kan ontpoppen.

12.5.09

Het gelijk van Jan Marijnissen*

Nu nieuwe verkiezingen, die voor het Europees parlement, aan de einder opdoemen, maakt een zekere zenuwachtigheid zich van veel politici meester. In plaats van Europese thema’s aan te kaarten, hebben ze het over maar één ding: de PVV van Wilders. In sommige peilingen staat de PVV aan kop, en op 4 juni zou wel eens kunnen blijken dat de PVV niet alleen in de peilingen maar ook in het stemhokje de grootste partij is.

De andere partijen zien zich nu genoodzaakt hun positie ten opzichte van Wilders te markeren. En dus hebben zowel de SP als de ChristenUnie en de PvdA duidelijk gemaakt dat regeren met de PVV wat hen betreft ‘ondenkbaar’ is. D66 en GroenLinks zeiden dat al eerder. Wilders zelf zegt ondertussen dat hij best premier wil worden als hij straks de grootste is, dat hij voor het vormen van een coalitie (bij voorkeur met CDA en VVD) best concessies wil doen en dat hij denkt dat hij er alleen met GroenLinks niet uit zal komen.

In de marge van dit partijpolitieke geschaak in de polder, ontspint zich een nieuwe discussie over het Nationaal Historisch Museum. De politieke hoofdrolspeler in dit conflict is minister Plasterk. Deze man is sowieso op oorlogspad. Met een herstel van het onderwijs in Nederland – in het oordeel van velen, zeker na het rapport-Dijsselbloem, een aangelegen zaak – houdt hij zich in het geheel niet bezig. Hij verkeert in de veronderstelling dat het aflopen van recepties en het dienen van de homolobby zijn bijzondere roeping zijn.

In dat verband heeft Plasterk de christelijke scholen in Nederland aangeschreven en hen verteld dat zij wel in hun grondslag mogen opnemen dat zij homoskesualiteit afwijzen, maar ze mogen niet van hun leerkrachten verlangen dat die deze grondslag ondertekenen. De scholen mogen dus geloven wat zij willen, als ze daarna maar doen wat Plasterk wil.

Plasterk baseert zich op een uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling, maar verzwijgt dat de Commissie met die recente uitspraak een draai van 180 graden heeft gemaakt. En met de gevoeligheden van zijn coalitiepartners houdt Plasterk in zijn missiedrang en stringente uitleg van de wet al helemaal geen rekening.

Van iemand die traditionele rechten en vrijheden – zoals de vrijheid van geloof en onderwijs – graag opoffert aan zijn agenda van modernisering, kan helaas niet verwacht worden dat hij kennis van het verleden van enig belang acht. Hij geeft als vanzelf de voorkeur aan een postmodernistische hutspot omdat de gedachte van een canon, van chronologie, van overzicht en inzicht, van het ontstaan ook van een democratische rechtsstaat met een verzekerde positie voor minderheden, hem als leidraad onverdraaglijk is.

De Tweede kamer is boos omdat de directie van het Nationaal Historisch Museum (NHM) zowel de oorspronkelijke locatie (naast het Openluchtmuseum in Arnhem) als de canon als leidraad heeft afgewezen. In plaats daarvan wil directeur Erik Schilp het museum naast de John Frostbrug laten bouwen, en de permanente tentoonstelling aan de hand van vijf thema’s inrichten. Dat is eigenlijk tamelijk logisch, want Schilp is een geestverwant van Plasterk. ‘Iemand die het over vroeger heeft, gaat snel vervelen’, naar zijn mening. ‘Het verleden moet zich bescheiden opstellen en niet teveel praatjes hebben’.

Niemand is dus zo ongeschikt voor het directeurschap van een Nationaal Historisch Museum als deze mens Schilp, en niemand is zo ongeschikt voor een baan als minister van Onderwijs en Cultuur als de mens Plasterk. Terwijl een door iedereen gewilde canon er is om ons denken te leiden en structuur te geven, willen zij over het verleden heersen, bezet als zij zijn met een anti-autoritaire, anti-patriottistische fobie.

Het idee voor zo’n museum is ooit aan het brein van Jan Marijnissen (SP) ontsproten. Hij is nu terecht van mening dat er nieuwe plannen moeten worden gemaakt nu er van het door de Kamer goedgekeurde oorspronkelijke concept helemaal niets meer over is. Hij is bang voor een soort Efteling, ‘een speeltuin met knoppen en spelletjes’. Historisch besef en kennis beginnen bij chronologie en van een zich voegen in het historisch gewordene. Maar Schilp heeft het Zuiderzee museum al eens omgetoverd in een instelling voor moderne kunst. Onze Jan heeft dan ook volkomen gelijk wanneer hij Schilp een ‘postmoderne yup’ noemt die van een historisch museum een kunstmuseum wil maken.

* verschenen in Binnenlands Bestuur.

9.5.09

Conservatief Café

Drie bevriende mede-bloggers (Wilco Boender, Rutger Schimmel en Frank Verhoef) hebben woensdag het eerste Conservatieve Café georganiseerd - in Gouda, in café de Zalm, in een mooie zaal met uitzicht op de markt, het stadhuis en de Sint-Jan. Het was een prachtige avond.

Er was een mooie opkomst, van zowel bekende als nieuwe gezichten, veel Burkeanen, CDA'ers, JOVD'ers en SGP'ers, Opiniomakers, Republicans Abroad, etc. etc., de sfeer was uitgesproken prettig, en de discussie van een hoopvol stemmend niveau.

Op verzoek van Wilco, Rutger en Frank hield ik een causerie over de vraag wat conservatieven verbindt. Ik heb over het conservatisme als politieke filosofie en als politiek programma gesproken: over het belang het politieke systeem te hervormen, de rol van de overheid terug te dringen en de nachtmerrie van Tocqueville te verdrijven, tot de kerntaken op het gebied van orde en veiligheid terug te keren, het onderwijs te herstellen en de instituties waarin de vorming en opvoeding van jongen mensen plaats heeft te beschermen, het multiculturalisme te bestrijden en de invloed van bepaalde stromingen binnen de islam terug te dringen.

Het conservatisme is allereerst een cultureel-pedagogisch ideaal, en pas in afgeleide zin een politieke beweging. Maar het zou, desondanks, natuurlijk prachtig zijn als zo'n agenda van vrolijk, Reaganesk conservatisme in een van de bestaande Nederlandse partijen of in een nieuwe zou neerslaan. En ik weet zeker dat de generatie van mensen die nu tussen de 18 en de 25 is, dat in de nabije toekomst, met nieuwe namen en jonge gezichten, gaat regelen. Zij lijden immers niet meer aan de oude vooroordelen die een goede samenwerking tussen christelijk rechts en liberaal rechts tot nog toe in Nederland zo moeilijk hebben gemaakt. En alles wat er de afgelopen jaren is gebeurd en nu gebeurt zal dan ongetwijfeld blijken van propedeutische waarde te zijn geweest


Het was woensdagavond als in de beste dagen van de Edmund Burke Stichting - al mocht je daar roken en was daar de drank na afloop gratis. Maar desondanks gingen de meesten woensdag pas na twaalven naar huis. En iedereen is vastberaden dat we hier mee door moeten gaan.

Voor verslagen van de avond zie het blog van Wilco en van Rutger. Wat chagrijniger van toon is het napissen op het blog van de Dagelijkse Standaard.

5.5.09

De naïveteit van Anton Zijderveld*

Anton Zijderveld (1937) was hoogleraar sociologie in Rotterdam en een vooraanstaand CDA-ideoloog. Hij heeft bedankt als lid omdat het CDA een coalitie met de PVV niet bij voorbaar uitsluit. Hij verwerpt iedere knieval voor populistische politiek, zo zei hij.

Zijderveld heeft dat standpunt toegelicht in een essay. ‘Populisme’ gaat terug op een spreuk die zegt dat de stem van het volk de stem van God is. Niets van waar, betoogt Zijderveld. Populisme is de buiging van politici voor het vulgaire tumult van verongelijkte autochtonen. Wat we nodig hebben is een elite, die beter weet dan het volk zelf hoe het volk moet worden geregeerd.

Door de aderen van Zijderveld kolkt een anti-racistisch sentiment dat geen recht doet aan het populisme zoals zich dat in de Nederlandse politiek heeft aangediend. Zijderveld begrijpt wel dat de demografische en sociale omwentelingen in Nederland, genegeerd door de elites, de voedingsbodem voor het populisme van Fortuyn, Verdonk en Wilders zijn geweest. Hij begrijpt ook dat Fortuyn zijn verdiensten heeft gehad. Maar Zijdervelds Weense vrouw, sprekend met een Prins Bernhard- accent, heeft in de bus te horen gekregen dat ze eerst maar eens goed Nederlands moest leren of anders het land kon verlaten. Zijderveld ziet deze narigheid overal: grove generalisaties, rancune en onbehagen, wantrouwen, islamofobie en aan fascisme en racisme grenzende vreemdelingenhaat.

Maar de populisten van nu zijn helemaal niet bang voor ‘vreemde smetten’, zoals Zijderveld denkt. Ze zijn bang dat Zijdervelds vakgenoot Van Doorn gelijk had toen deze zei dat de islam als een brok graniet in de Nederlandse polder ligt, en dat dat graniet zich niet als vanzelf in de polder zal voegen.

Over de islam is Zijderveld ongekend naïef. Er komt vanzelf een ‘ontmoskeelijking’, betoogt hij, en we zullen ‘over enkele decennia’ net zo vreemd tegen de huidige angst voor islamitische dominantie aankijken als we nu aankijken tegen de protestantse angst voor katholieke dominantie in de jaren vijftig.

In dit essay stelt Zijderveld nog met trots vast dat het CDA het minst last heeft gehad van de opkomst van het populisme. Maar recent onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat ook CDA’ers in toenemende mate denken dat moslims hier naar toe gekomen zijn om de boel over te nemen en dat het goed is om ze bij recidive naar hun land van herkomst terug te sturen. Zijderveld heeft dus net op tijd zijn lidmaatschap opgezegd maar kon toen niet nog eventjes snel zijn essay aanpassen.

Wij burgers, vindt Zijderveld, moeten onze zaken maar aan de politieke elite toevertrouwen en dan na een jaar of vier weer eens gaan stemmen. Maar sinds het falen van die elite bij het multiculturele project is dat vertrouwen verspeeld. De radicalisering en de toenemende Salonfähigkeit van het populisme kent slechts één oorzaak: die elite blijft maar in de eigen incompetentie volharden.

N.a.v. Anton C. Zijderveld, Populisme als politiek drijfzand (uitgeverij Cossee, € 9,90).


* Deze week als recensie verschenen in HP/De Tijd.

4.5.09

Om te winnen hoef je maar één boek te lezen

Op de website van de NOS staat mijn nieuwe column over de Europese verkiezingen van 4juni a.s.

En, hebt u al een partijtje bijgewoond waar de feestgangers verhit en verbeten over de Europese verkiezingen zaten te debatteren? Ik niet. En nu hebben we natuurlijk nog een week of vijf te gaan, maar ik heb sterk de indruk dat deze verkiezingen minder leven dan ooit.

Dat komt, vermoed ik, omdat de gedachten van de meeste burgers bij twee grote onderwerpen zijn: bij de kredietcrisis natuurlijk, en de vraag in hoeverre die hun levens gaat raken, en bij de discussie over de opkomst en gestage groei van de PVV en de moeite die andere partijen hebben om zich een houding tegenover Geert Wilders aan te meten.

En niemand heeft de indruk, en terecht, dat deze onderwerpen, die zich zo dicht bij huis afspelen, iets met Europa te maken hebben, of dat Europa daar een beslissende rol in kan spelen.

De eerste voorzichtige debatjes tussen de lijsttrekkers hadden een nationale focus. Wim van de Camp van het CDA lanceerde een omvangrijk bezuinigingsplan. Ging hij regelen zodra hij in Brussel zou zijn aangekomen. Hans van Baalen van de VVD was er als de kippen bij om het Nederlandse volk diets te maken dat die plannen ook betekenen dat het Nederlands als officiële taal van de Europese Unie zou gaan verdwijnen. ‘Mannen, willen wij dat? Nee, dat willen wij niet!’

Ik ben bang dat we de komende tijd iedere week zo’n plannetje voorbij zullen zien komen en een discussietje van dit niveau eruit voort zullen zien komen.

Daarom geef ik alle lijsttrekkers nu al mijn Geheimtip. Om deze verkiezingen te winnen, hoeven zij maar één boek te lezen. Het is geschreven door de Britse journalisten Christopher Brooker en Richard North en heet The Great Deception. Het geeft, in een uitmuntend gedocumenteerde studie, de ‘geheime geschiedenis’ van Europa: dat alle acties vanaf het begin gericht zijn op één supranationale regering en de bevolking dat niet mocht weten. Je hoeft dat verhaal alleen maar te vertellen en erbij te zeggen dat jij alles gaat doen om mensen de zeggenschap over hun leven terug te geven.

Hoe gaat het ondertussen met onze Eline van den Broek van de nieuwe partij Libertas? Zij mag niet aan lijsttrekkersdebatten deelnemen, maar gaat columns schrijven voor de website Dagelijkse Standaard van Joshua Livestro en lanceert binnen een dag of wat haar eigen website: www.eline.info. Zal het haar dus toch gaan lukken? Kijk maar uit, concurrenten, ik denk dat ze The Great Deception heeft gelezen.