Twitter Updates 2.2: FeedWitter

27.2.09

Mens en dier

Mijn column in de Elsevier van deze week gaat over het thema van de Boekenweek, die over een dag of tien losbarst: Tjielp, tjielp - de literaire zoo. De winkels liggen nu al vol met boeken over de relatie tussen mens en dier, en hangen me nu al de keel uit. Dat sentimentele gedoe met dieren lijkt mij niet alleen onnatuurlijk, maar getuigt vooral van decadentie. Plato schreef het al: als in een democratie het gelijkheidsdenken doorschiet (en ouders op voet van gelijkheid met hun kinderen gaan verkeren en ouderen jongeren gaan nadoen om niet onsympathiek en autoritair over te komen), krijgen ook dieren een bijzondere status: mensen laten die dieren met een lichte buiging voorgaan in de drukte van het maatschappelijke verkeer.
Lees de gehele column hier.

26.2.09

Onze 'elite' en Geert Wilders

Onze politieke en bestuurlijke 'elite' heeft Geert Wilders eerst genegeerd, daarna gedemoniseerd en probeert hem nu te assimileren - zoals ze dat ook met Pim Fortuyn heeft gedaan. Die houding van mensen als Paul Schnabel van het SCP getuigt van een verachtelijke lafheid die duur zal worden betaald.

Een chemicus heb ik eens een lezing horen geven over de reactie van een biologisch systeem op vreemde indringers. De details ben ik, een onverbeterlijke alfa, vergeten en ook het jargon, maar het kwam er op neer dat die reactie in drie fases verliep. Het systeem probeerde de indringer eerst te negeren, daarna te bestrijden en als dat niet lukte te assimileren. Het uiteindelijke gevolg is dan dat het systeem, aangevallen door een binnendringer die op de vernietiging van het systeem uit is, aan het einde van het proces sterker is dan ervoor.

Het aardige was dat ik niet als enige de parallel met politiek en media direct zag, maar dat die chemicus het daar ook over ging hebben. Toen Pim Fortuyn aan de poorten van het Binnenhof begon te rammelen, deden de Binnenhofbewoners eerst of ze niets hoorden. Ze weerden hem af door hem te negeren. Toen dat niet lukte omdat de boodschap van Fortuyn buiten dat Binnenhof erg veel weerklank vond, gingen ze de strijd met hem aan door hem te demoniseren. En toen niemand daar in trapte, namen de Binnenhovelingen hun toevlucht tot hun meest geslepen truc. Ze zeiden dat het maar goed was dat Fortuyn hen had wakker geschud, dat ze nu goed naar zijn boodschap hadden geluisterd, daar veel van hadden geleerd en die lessen ook in de praktijk wilden brengen.
Het systeem had zich versterkt. Maar dan moest het nu ook af gelopen zijn. Fortuyn had een frisse wind door het Binnenhof laten waaien, fijn, dat was ook hard nodig, maar de luiken konden nu weer dicht.

Die conclusie was alleen geloofwaardig geweest indien het midden werkelijk was geradicaliseerd, wat helaas is uitgebleven.

Wat met Fortuyn is gebeurd, gebeurt nu met Geert Wilders. (Met alleen dit verschil natuurlijk dat Wilders nog leeft.) Eerst haalden politiek en media (wat al te opzichtig) hun schouders over hem op. Er was immers geen ruimte op rechts, zei men. In de peilingen werd hij stelselmatig klein gehouden. Maar toen dat niet hielp en Wilders in november 2006 met negen zetels in de Kamer kwam, volgde de grote bestrijding – wat bij rechts altijd de vorm van demonisering aanneemt. Wilders heette een angsthaas en een oorlogshitser, de Nederlandse variant van rechts-extremistische partijen zoals die elders in Europa ook bestaan. Op instigatie van het Amsterdamse gerechtshof gaat het Openbaar Ministerie hem vervolgen wegens haatzaaien en discriminatie.

Maar ook dat hielp niet. Wilders vaarde (en vaart) er zelfs wel bij. In de peilingen staat hij op 25 zetels. En meer en meer hoger opgeleiden, bevreesd als zij zijn voor een beknotting van de vrijheid van meningsuiting, krijgen steeds meer sympathie voor hem.

En daarom gaat de bestuurlijke elite van Nederland nu haar volgende wapen inzetten: die van de publieke omhelzing. Een van de opperhoofden van die elite, meneer Schnabel van het SCP, zei maandag in de Volkskrant dat Wilders alleen maar verwoordt wat velen denken, dat hij helemaal niet extreem-rechts is, en dat hij alleen maar begrijpt dat het om de grote machtsvraag draait: van wie is dit land, wie buigt voor wie, wie past zich aan aan welke regels, wij aan de hunne of zij aan de onze? Daarmee is Wilders gewoon een van ons.

Wilders is ongetwijfeld een te gewiekst politicus om voor deze avances van het establishment te bezwijken. Wat Wilders overigens niet begrijpt en Schnabel heel goed, dat is dat hij met zijn PVV als uitlaatklep van ontevreden burgers het bestaande politieke systeem alleen maar versterkt. Aan de onvrede wordt dan toch maar uiting gegeven; dat er vervolgens niets verandert en het systeem het systeem blijft en Wilders politiek in leven blijft, is de duivelse omklemming van Wilders en de rest van het Binnenhof. Vandaar natuurlijk dat Schnabel hem publiekelijk omhelst – stel je voor dat iemand met 25 zetels ook nog eens dat systeem als zodanig ter discussie zou gaan stellen en meer directe vormen van democratie ging bepleiten, dan waren de rapen pas echt gaar.

Maar wat Schnabel en de zijnen weer niet door hebben, dat is dat zij hebben gezwegen toen zij hadden moeten spreken en hem nu annexeren terwijl zij hem moeten bestrijden. Toen Wilders de politieke arena betrad, hadden zij de problemen die hij benoemde, beter en intelligenter moeten benoemen dan hij. Nu zij hebben gezwegen en de andere kant op hebben gekeken, en Wilders om gehoor te vinden steeds radicalere standpunten is gaan uitkrijten, heeft hij het hele politieke debat over islam, immigratie, integratie en multiculturalisme zodanig naar zich toegetrokken dat verdere discussie bijna onmogelijk is geworden. Hij heeft het thema geclaimd om zijn politieke dood en emigratie uit te stellen. Juist nu Wilders dit thema uitsluitend en alleen voor eigen gewin misbruikt, geeft onze elite opnieuw niet thuis. Het is van een verachtelijke lafheid die duur zal worden betaald.

Ten burele van het CDA, bijvoorbeeld, is islamkritiek ongepast. Niet omdat de islam geen kritiek verdient, maar ‘omdat wij niet van Wilders zijn’. Het midden als zodanig, de drie grote constituerende partijen uit de Nederlandse politieke traditie, heeft collectief gefaald, juist toen zij victorie kraaiden omdat zij dachten Fortuyn ook politiek te hebben gedood. Je denkt als vanzelf aan twee regels uit 'Hotel California' van The Eagles:
They stab it with their steely knives, but they just can’t kill the beast.

(verschenen in de Volkskrant van 26 februari 2009)

25.2.09

Bijtend als koude jenever

HP/De Tijd organiseert volgende week vrijdag 6 maart, samen met NRC Handelsblad en Trouw, een bijeenkomst over haar oud-columnist Jacques van Doorn, van wie postuum een dikke bundel artikelen is verschenen. Die zijn zeer informatief, maar niet zo leesbaar als zijn columns.

Hans Jansen, de geleerde arabist, mag nog wel eens in tv-programma’s komen opdraven om de islam aan het Nederlandse volk uit te leggen, als een soort seksuele voorlichting aan kinderen van zes. Tijdens een van zijn optredens werd hem eens gevraagd hoe dat toch zat met dat avondje dat aan het einde van de week waarin Theo van Gogh was vermoord, ergens in Amsterdam Oud-Zuid was belegd en waar ‘de vrienden van Ayaan’ bijeen waren geweest. Zo kort na de moord verdiende het natuurlijk aanbeveling daar niet al te veel over te zeggen. En om er maar helemaal vanaf te zijn, zei Jansen op een gegeven moment dingen waarvan hij vermoedde dat de vragensteller die graag wilde horen. En hij sprak in beelden, want dat wilde de vragensteller vermoedelijk vooral.

En zo begon Jansen te praten over het prachtige servies van de gastvrouw, het bijpassende bestek, de schitterende servetten, de kaarsen op tafel en de glazen als bokalen waar het heerlijkste wat de aarde had voortgebracht met gulle hand in uitgeschonken werd, etc., etc. En inderdaad, kort daarop werd televisiekijkend Nederland vergast op minutenlang bewegende beelden van soepterrines die in soepborden werden leeggegoten, tegen dreigende achtergrondmuziek en gemeenplaatsen met suggesties over de aanwezigheid in Nederland van een geheim anti-islamitisch genootschap.

Zo heeft Hans Jansen het verteld (in de HP/De Tijd van 19 december 2008), maar wat hij er niet bij vertelde was dat de heren die daar aanwezig waren geweest en er door de progressieve media van werden verdacht tot de hofhouding van de Somalische vrijheidsstrijdster te hebben behoord, zichzelf helemaal niet aanduidden als ‘vrienden van Ayaan’. Zij noemden zich ‘de vrienden van Van Doorn’.

Van Doorn, dat was Jacques van Doorn, of beter: J. A. A. van Doorn, de geleerde socioloog, de ‘sceptische liberaal-conservatief’, die in zijn column in HP/De Tijd en in de zaterdagse Trouw juist die vermaledijde, ‘neoconservatieve’ vrienden van Ayaan Hirsi Ali met grote regelmaat op de korrel nam. Zijn vrienden waren zij dus zeker niet. Dat zij zich toch als zodanig aanduidden, was een blijk van respect. Een stukje van Jan Blokker of Bert Wagendorp, van Dick Pels, Sjoerd de Jong of Willem Breedveld, ach, daar lagen de heren niet van wakker. Maar die stukken van Van Doorn, dat was andere koek: goed onderbouwd, goed geschreven, puntig en scherp, en vaak raak. En die deden dan pijn.

Van Doorn (geboren in 1925 in Maastricht) is bijna een jaar geleden, in mei 2008, in zijn woning in Sint Geertruid op 83-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van botkanker. De meeste mensen zullen hem gekend hebben als columnist, een ambacht dat hij tot een week voor zijn dood is blijven beoefenen. Hij schreef ook jarenlang voor de NRC, maar vertrok er in 1990 omdat de hoofdredactie zich had gedistantieerd van een column waarin hij zich over de zelfcensuur van joodse journalisten had uitgelaten. Na een spijtbetuiging door de krant ging hij vanaf 2005 zo af en toe ook weer voor de NRC schrijven. Sociologen kennen hem als de auteur van het boek Moderne sociologie, dat in 1959 verscheen en jarenlang als standaardwerk gold, en als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Een breder publiek kent hem ook van het boek Ontsporing van geweld, een van de eerste kritische publicaties over de politionele acties in Indonesië (waar Van Doorn zijn diensttijd doorbracht).

Van Doorn was een kundig en gedistantieerd waarnemer. Hij had daarbij zijn afkomst en ontwikkeling mee. Als Hollandse jongen groeide hij op in Maastricht, hij leefde als agnost in een rooms milieu, was afkomstig uit een kleinburgerlijk milieu maar kreeg omgang met intellectuelen, maakte als Nederlandse jongen de Duitse bezetting mee en was als Nederlands soldaat drie en een half jaar in Indonesië. Hij zag niets in 1968, en hoe vernieuwend hij ook was, de generatie die 1968 droeg wraakte hem en dankte hem af. De overdrijving en overvraging uit die jaren dreef hem in het kamp van de voorzichtige, sceptische, afstandelijke conservatieven, het kamp waarvan ook J. L. Heldring deel uitmaakt. De redacteuren vergelijken hem met Jacques de Kadt en Raymond Aron, en dat is niet ten onrechte. Hij keerde zich tegen de depolitisering van de jaren negentig, maar ook tegen de reactie op die depolitisering in het populisme. Hij keerde zich aanvankelijk tegen het paternalisme van politici, maar hekelde uiteindelijk vooral de manipulaties van de populisten die ‘de onmondige kiezersmassa’ bedrogen. Van Doorn zelf wist het tegen het einde van zijn leven ook niet meer zo precies.

Nadat Van Doorn in december 2005 te horen had gekregen dat hij aan een ernstige ziekte leed, voltooide hij zijn studie over de sociaal-democratie in Duitsland. Die studie (Duits socialisme) verscheen in juni 2007 (besproken in de HP/De Tijd van 29 juni 2007). Tegelijkertijd vroeg hij twee bevriende Amsterdamse hoogleraren, de politicoloog Jos de Beus en de historicus Piet de Rooy, om een selectie bijeen te brengen uit de artikelen en essays die hij in een reeks van jaren over de Nederlandse geschiedenis en samenleving had geschreven. Het slothoofdstuk, 15.000 woorden lang over het herfsttij van onze democratie, is nieuw, maar stond ook al in het eerste nummer van deze jaargang van de HP – als een soort hommage aan de oud-columnist.

De bijeengebrachte studies vormen samen een boeiende geschiedenis van de ingrijpende veranderingen in de Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw. Van Doorn zag scherp. Als een van de eersten zag hij het autochtone verzet in Rotterdam tegen de komst van immigranten (in 1972!), en als een van de eersten zag hij hoe de verzorgingsstaat overbelast raakte en de burgers veel te afhankelijk maakte. Dat laat echter onverlet dat al die artikelen erg gedetailleerd en uitvoerig zijn, en daar is niets op tegen, op zich, want er valt bij Van Doorn heel veel te leren over de ingrijpende veranderingen van de Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw, maar ze missen de kracht van zijn columns en kortere werk.

De Beus en De Rooy schrijven in hun inleiding dat de columns in deze bloemlezing buiten beschouwing zijn gelaten omdat Gerry van der List, tegenwoordig redacteur van Elsevier, in 1996 De draagbare Van Doorn publiceerde, waarin die columns goeddeels terug te vinden zouden zijn. Maar daar gaan beide heren toch geheel voorbij aan het feit dat van Doorn beroemd en berucht is geworden als deelnemer aan het debat dat sinds de moorden op Fortuyn en Van Gogh de Nederlandse samenleving heeft beheerst: dat over de islam en de multiculturele samenleving.

Van Doorn was de publicist die niet gemakkelijk in een bepaalde positie te vangen was. Over de multiculturele samenleving schreef hij dat zij niet langer kon worden gezien als ‘een ontmoetingsplaats van culturen en religies maar als een kruitvat dat door de overheid bij voortduring moet worden natgehouden’. Dat is een vergaande constatering, want hoe is dat kruitvat ontstaan, dat wil je dan toch ook graag weten. Over de islam schreef Van Doorn dat zij ‘als een brok graniet in ons vlakke religieuze landschap ligt. Wie erop bijten wil, bijt op graniet.’ Bijtend als koude jenever, noemen de twee redacteuren zijn redeneertrant terecht.

Maar die kritische houding jegens het multiculturalisme en de islam hebben Van Doorn niet in het kamp van de vrienden van Van Doorn gebracht. Integendeel. Het kruit uit Van Doorns vat werd steevast afgeschoten op de nieuwe neoconservatieven: op George W. Bush en op ex-VVD’ers in Nederland als Hirsi Ali, Verdonk en Wilders. Hij ergerde zich zozeer aan deze rotzooitrappers (zoals hij ze zag) dat hij het bestond om begrip op te brengen voor de moslims die de afvallige Ehsan Jami klappen gaven. ‘Wie kaatst moet de bal verwachten’, was Van Doorns commentaar in de NRC.

Gezien het soort conservatisme dat Van Doorn wilde belichamen, is die positie volstrekt begrijpelijk. Maar ook die stukken over de populistische revolte in Nederland moeten snel bij elkaar worden gebracht en in hun historische context worden toegelicht.

N.a.v. J. A. A. van Doorn, Nederlandse democratie (uitg. Mets & Schilt)

18.2.09

De media en Geert Wilders*

De politieke journalistiek in Nederland is niet meer wat zij geweest is. Dat is althans mijn indruk, alhoewel ik de politiek en de journalistiek vanaf een zekere afstand volg en er dus dingen kunnen zijn die aan mijn aandacht ontsnappen.

Het eerste wat mij opvalt is dat het verloop niet alleen in de politiek heel groot is (Kamerleden die het land meerdere termijnen dienen, zijn welhaast uitgestorven), maar dat dat ook voor de parlementaire journalistiek geldt. Er lopen, gelukkig, nog wel oude rotten rond, maar verder is het toch vooral jong, hip en onwetend. Als gevolg daarvan maken veel Haagse journalisten alles wat ze zien en horen voor het eerst mee, en zijn ze geneigd om er op hysterische toon verslag van te doen. Bezadigdheid is natuurlijk ook de dood in de pot, maar een evenwichtige mix van ervaring en distantie en van een jonge-honden-geest is essentieel voor goede journalistiek en daarmee voor een goed functionerende democratie.

Ik heb ook sterk de indruk dat journalisten hun vak niet meer als een roeping zien, maar als een beroep als alle andere, en dat dat gepaard gaat met een mentaliteit die vroeger ondenkbaar was. Laat mij dat illustreren met een voorbeeld.
Geert Wilders is al maanden druk bezig met de voorbereiding van zijn partij op de Europese en de volgende Tweede Kamer-verkiezingen. Al maanden lang komt hij iedere zaterdag met enkele getrouwen en kandidaat-volksvertegenwoordigers in het gebouw van de Tweede Kamer bijeen om zijn principes en opvattingen er bij die kandidaten in te stampen en te zien of ze niet al te stom zijn, en vooral: niet te potentieel verraderlijk, om zijn PVV te kunnen vertegenwoordigen. De ene zaterdag komt hij met tien kandidaten voor de Europese verkiezingen bijeen, de andere zaterdag met twintig kandidaten voor de Tweede Kamer.

Dat wist u niet want er is geen krant, radio- of tv-programma dat erover heeft bericht - behalve de Pers, de krant die er - ere wie ere toekomt - begin januari wel over heeft geschreven. Het kan dus niet anders of veruit de meeste journalisten komen in het weekend helemaal niet meer in het gebouw van de Tweede Kamer, en daarom kan Geert Wilders er ongemerkt zijn gang gaan. Ik wil niet veel zeggen, maar in de tijd van het Vrij Nederland van Joop van Tijn, van de concurrentie tussen de Volkskrant en NRC in de jaren negentig en van de Telegraaf toen Sjuul Paradijs er de politieke redactie leidde, was geen politicus daar mee weg gekomen. Dan hadden we al geweten wie er in die PVV-klasjes zaten en een beschouwing kunnen lezen over de vraag of het gebouw van het parlement voor partijpolitieke doeleinden gebruikt mag worden.

Een tweede voorbeeld. De PVV kondigde deze week niet alleen aan dat zij mee gaat doen aan de Europese verkiezingen, maar belegde ook een eerste ‘informatiebijeenkomst’, afgelopen maandag in gebouw Het Trefpunt in Waddinxveen. Op weg naar huis die avond besloot ik er even langs te rijden. Tot mijn verbazing was een groot gedeelte van Waddinxveen (het hele gebied tussen het station en het winkelcentrum) afgezet. Er waren niet alleen veel verkeersregelaars op de been, maar ook zo’n tachtig politieagenten en er reden overal politiebusjes rond. Het was er donker, en het regende, en het was er vooral erg stil. Navraag leerde dat zo’n vijftig mensen binnen waren om zich te laven aan de woorden van Wilders. Zo’n twintig ‘anti-fascistische’ demonstranten mochten niet in de buurt van het gebouw komen, en stonden wat zieligjes en nat in een apart vak leuzen te slaken.

Maar ik zag geen journalisten, en in de Volkskrant, de Trouw en de Telegraaf was dinsdagochtend niets terug te vinden. (Wie een verslag van de avond wil lezen, moet naar dit blog gaan, of naar deze twitter.)

Waarom is dit erg? Deze week werd ook bekend dat Wilders – na de berichten over zijn vervolging in Nederland en de weigering van de Britse regering om hem in Engeland toe te laten – in de peilingen op 25 zetels staat. Een op de zes Nederlanders overweegt dus op hem te stemmen. Eenerzijds is dit heel normaal; vergelijkbare partijen elders in Europa behalen ook een dergelijke score. Maar in Nederland is Wilders met dit aantal inmiddels de tweede partij van Nederland, na het CDA maar voor de PvdA. En van zo’n partij wil je dan graag weten wie er de zetels voor gaan bezetten en waar de discussies in alle Nederlandse Trefpunten over gaan.

12.2.09

Interview in Driemaster

Het volgende interview met mij is afgenomen door het JOVD-ledenblad Driemaster.

De conservatieve beweging
In Spruyt vinden wij geen liberaal: ‘Liberalisme vind ik één zwart gat. Het is de meest suïcidale levensstroming die er is.’ Met weemoed denkt hij terug aan de tijd waarin Frits Bolkestein de scepter zwaaide binnen de VVD. Volgens Spruyt begreep Bolkestein als geen ander dat een democratische rechtsstaat en een vrije markt belangrijk zijn, maar dat een cultureel fundament noodzakelijk is om ze in stand te houden. Mark Rutte lijkt met zijn herschrijving van het Liberaal Manifest die gedachte aan te hangen. ‘Vanuit een ideologische invalshoek heeft hij de behoefte een eigen identiteit te creëren voor de VVD,’ aldus Spruyt. Het lijkt soms wel of Rutte tracht de VVD tot een Nederlandse Tory-partij te maken.

Daar zouden mogelijkheden liggen voor de VVD. Spruyt: ‘Er zit een groot gat in de Nederlandse politiek. Het CDA, de PvdA en de VVD zijn voortgekomen uit maatschappelijke verhoudingen die niet meer bestaan en hebben daarom geen antwoord op nieuwe problemen.’ De Nederlandse samenleving is volgens Spruyt de verzuiling ontgroeid, maar de gevestigde politieke partijen nog niet. Deze partijen benaderen actuele problemen vanuit denkbeelden van een van de zuilen. Gevolg daarvan is dat in de maatschappij groepen ‘onbegrepen mensen’ ontstaan die naar partijen als de PVV en Trots op Nederland trekken.

Er zit dus een gat in de politiek en het is volgens Spruyt aan een conservatieve partij om daar in te springen. Verrassend genoeg vindt hij dit niet zo belangrijk. ‘Het is belangrijker om individuele mensen en groepen te laten nadenken over bepaalde onderwerpen.’ De conservatieve beweging in Nederland gelooft niet zo in partijpolitiek. Spruyt acht het bovendien hoogst onwaarschijnlijk dat in Nederland een conservatieve partij ontstaat. ‘Het is typerend voor de situatie hier dat er geen conservatieve partij kan ontstaan. In Amerika zijn de meeste christenen rechts, hier zijn ze links. Bovendien zijn de meeste liberalen in Nederland a- of anti-religieus. Het ideaal van Wiegel is mooi, de VVD en CDA moeten gewoon samen regeren. Dat is op dit moment de best denkbare combinatie. Het beste is om binnen bestaande partijen het gedachtegoed van het conservatisme te introduceren. Vanuit de Edmund Burke Stichting was er een optimistische periode waarin we dachten dat we een partij konden beginnen, maar dat was te optimistisch. We dachten dat het mogelijk was de conservatieve vleugels binnen de VVD, het CDA, de ChristenUnie en de SGP zelfbewuster te maken en zo een herschikking van het partijpolitieke landschap te forceren. Maar de conservatieve vleugels binnen die partijen worden, als ze al bestaan, geneutraliseerd en daarmee opgeheven door de linkse, sociaal-liberale of christelijk-sociale vleugels binnen deze partijen. Nietszeggendheid is het gevolg.’

Hoe moeten de ideeën van het conservatisme dan de maatschappij bereiken? Spruyt: ‘Ik voel me in Nederland eigenlijk bij geen enkele partij voor 100 procent thuis. Het CDA en de VVD zijn karakterloze partijen. Ik geloof in de nieuwe generatie jongeren.’ Hij vertelt dat er onder studenten een enorme belangstelling is voor eendaagse conferenties en Zomerscholen die de Edmund Burke Stichting organiseert. Hij bespeurt onder de studenten een behoefte aan – maatschappelijke, niet opgelegde – orde en vermoedt dat zij zich daardoor aangetrokken voelen tot het conservatisme. De gevestigde politiek trekt deze generatie niet aan: ‘We zitten nog steeds dom te kletsen binnen de paradigma’s van de babyboomers. Ik zie het bij de nieuwe generatie, die niet denkt in kaders die door de babyboomers zijn gedicteerd, en daardoor veel minder bevooroordeeld zijn. Het zal niet gebeuren via bestaande politieke partijen. Na hun 30e zijn politiek actievelingen onbekeerbaar. De politieke partij waar ze in zitten, wordt een doel op zich, vooral voor een betere functie binnen die partij.’ Verandering is dus op komst, maar we zullen er nog wel een aantal jaren op moeten wachten. ‘Er zijn mensen die er belang bij hebben dat wij denken in die verouderde denkkaders. Ik denk dat dit wel gaat veranderen binnen de komende 20 tot 25 jaar.’

Wilders
Geert Wilders stapte uit de VVD en begon een nieuwe partij, geïnspireerd door conservatieve denkbeelden. Hebben we dan toch een conservatieve partij in Nederland? Spruyt meent van niet. Hij vertelt hoe enthousiast conservatief Nederland was toen de PVV werd opgericht. ‘Geert Wilders leek bereid een breed programma aan te hangen. Er waren allerlei geheime bijeenkomsten in de Veluwse bossen. Er zaten CDA’ers en VVD’ers bij. Ik hoopte dat de partijpolitieke kaders zouden worden doorbroken. Maar het mocht niet zo zijn. Wilders wilde het alleen over de islam hebben en weigerde met anderen samen te werken, waardoor velen afhaakten. Het is een proleterige anti-islamitische eenmanspartij geworden. De functie van de partij bestaat eruit dat kranten lezers die zich druk maken over het slechte nieuws over de desastreuze gevolgen van het multiculturele ideaal, een uitlaatklep hebben. Fleur Agema van de PVV gaat iedere ochtend vroeg naar het tankstation om alle kranten te lezen. De lezers weten dat er allang Kamervragen zijn gesteld over de voorvallen waar zij over lezen. Het is in feite een kanalisering van woede. Er heerst een indruk dat er iets gebeurt, terwijl dat feitelijk niet zo is.’

Heeft het ‘moslim-bashen’ van Wilders ook geen positieve effecten? Volgens Spruyt zijn die er ook: ‘Moslims voelen zich door zijn provocatie genoodzaakt de rest van de wereld te tonen wat zij zelf van hun geloof vinden en, belangrijker, wat de politieke consequenties daarvan zijn. Benoeming van problemen is goed, maar er zijn geen oplossingen. Er wordt vooral geprovoceerd. Het doel van Wilders is niet het goede te halen uit de moslims. Volgens Wilders komt er principieel geen verzoening tussen hem en de moslims. Zijn strategie is wegpesten. Gunstige effecten van zijn aanpak zijn onbedoeld.’

Geen linkse hobby’s
Spruyt: ‘Ik geloof nog steeds in het belang van bestuurlijke vernieuwing. Ik zou graag zien dat er een districtenstelsel komt, een gekozen minister-president, een gekozen burgemeester en ook een gekozen politiechef en gekozen rechters. De mensen op de markt zijn minder erg dan de ambtenaren op het stadhuis, daar geloof ik wel in. Ik geloof, net als de VVD, in die hardwerkende Nederlanders, die liberaal-conservatief zijn en een hekel hebben aan die parasitaire linkse hobby’s. Ze willen gewoon doen, met rust gelaten worden. Het is ook de trots van een eigen huis, een gezin, een leven waarbij de overheid geen rol heeft.’

Social engineering

Wat is de rol van de overheid dan wel? Een Rouvoet-achtige sociale politiek? Spruyt: ‘Niets vervult mij met zoveel weerzin als de politiek van minister André Rouvoet. Ik ken hem persoonlijk, het verbaast mij dat hij zich heeft ontpopt tot iemand met een kleinburgerlijke drang erbij te willen horen. Eindelijk mag hij aan de knoppen draaien. Als ze eenmaal achter de knoppen zitten, blijven ze draaien. Of het iets negatiefs teweegbrengt, dat zal ze worst wezen, als ze maar kunnen draaien. Ze geloven in ‘social engineering’. Ik heb echt afkeer van die politiek.’

De conservatieve Spruyt is dus geen liefhebber is van de politiek van André Rouvoet, maar de vraag is dan natuurlijk wie sociale kwesties dan wel aan de kaak moet stellen. ‘Dat doen we zelf. Ik geloof in de kracht van individuen. Die kracht wordt weggezogen uit de samenleving wanneer de overheid taken overneemt.’ Het beleid van de overheid kan een samenleving verlammen, of het goede erin naar boven brengen. ‘Ik geloof in het belang en de kracht van kleine maatschappelijke structuren, in de kracht van individuen, niet in de overheid. Daar heb ik een goed voorbeeld van: in mijn buurt in Gouda lag na een storm een boom over de weg. Een aantal buurtbewoners stelde voor om de boom met elkaar weg te halen. Maar een andere bewoner had de gemeente al gebeld; over drie weken kwamen ze boom halen. Die mentaliteit is niet goed. Je moet niet altijd denken dat de overheid het wel oplost. De overheid moet je dan ook wel een beetje loslaten. De ChristenUnie denkt de samenleving te repareren door de overheid in te schakelen. Dat is niet goed. Omdat niet alle kinderen thuis ontbijten, moet er maar verplicht worden ontbeten op scholen, stellen zij. Dat besteed je toch niet uit? Daar zijn de ouders zelf verantwoordelijk voor. Zo wordt alles alleen maar erger. De overheid wordt alleen maar groter. We kunnen het zelf veel beter dan die domme ambtenaren.’

Toch heeft de overheid op sociaal vlak nog wel bepaalde taken. Zo is een beperkt sociaal vangnet gewenst. ‘Veel mensen denken dat rechtse mensen schijt aan de rest hebben, maar dat is natuurlijk niet zo. Er moet slechts minimale zorg zijn vanuit de overheid, zodat de burgers veel meer zelf doen. Natuurlijk is er een sociaal vangnet nodig, maar dan als slotsom en niet als een recht.’

Op scholen gaat veel mis, vooral op zwarte scholen. Wat is dan de taak van de overheid? ‘Je moet ook als conservatief niet te dogmatisch over de rol van de overheid denken. Ik heb er onlangs nog uitgebreid over gesproken met een UvA-socioloog. Het is aangrijpend om te horen hoe het zit. Vroeger hielp het onderwijs je omhoog, op zwarte scholen word je alleen maar naar beneden getrokken. Ze trappen elkaar de grond in. Een schooluniform zou zeker een goed idee zijn. Wat die socioloog zei, is dat een school slechter af is als hij 50-80 procent zwart is dan een school die meer dan 80 procent zwart is. Deze school krijgt namelijk meer geld van de overheid. Als blijkt dat dat inderdaad werkt en de negatieve spiraal op die manier kan worden doorbroken, dan moet er inderdaad maar meer geld naartoe. Het is echt een tijdbom onder de Nederlandse samenleving. Nood breekt wet, zeg maar.’

Wat vindt Spruyt van politici die proberen via de politiek een maatschappelijk debat op gang te brengen en verhoudingen tussen burgers te beïnvloeden? ‘Ik vind het goed dat politici zich mengen in het debat, vooral over grote thema’s. Zoals Pim Fortuyn dat deed, over de verweesde samenleving. Dat was een goed concept. Je moet niet meteen wetten gaan maken, maar een discussie uitlokken. Rouvoet wilde met zijn Gezinsnota ook de discussie op gang brengen, te laat, en in de verkeerde volgorde, maar dat waardeerde ik wel. Je moet beleid niet wíllen dwingen, ook al zou je het kunnen. Geef gewoon argumenten. Je moet een moraal ook niet vanuit de overheid opleggen, er moet wel draagvlak zijn.’

In hoeverre beïnvloedt het protestantse geloof van Spruyt zelf eigenlijk zijn denkbeelden? ‘Kijk, ik gebruik geen mystieke termen. Dat zal ik nooit doen. Mijn artikelen moeten ook voor niet-christenen toegankelijk zijn. Ik schrijf in een taal die we met elkaar delen. Mijn mensbeeld heeft ook te maken met mijn geloof, maar dat beeld is niet exclusief christelijk. We zijn nu eenmaal een joods-christelijke, klassiek-humanistische samenleving.’

Obama

Als we het over de verkiezingsstrijd en de uitslag daarvan in de Verenigde Staten hebben, kan Spruyt enige sympathie voor John McCain en vooral Sarah Palin niet onder stoelen of banken steken. ‘Amerika herkende zich in haar. Ze had wel wat scholing nodig. Maar ze had een goede intuïtie, net zoals Hans Wiegel weerklank vond bij het volk. Ze was niet dom. Hillary Clinton was dommer, met de verkeerde opvattingen.’ Spruyt vindt dat de Republikeinen Palin verkeerd hebben gecast. ‘Ze blijft een geweldig wijf. Liever Palin die begrijpt wat er onder de bevolking leeft, dan een links-progressieve politicus. Dat is veel erger.’

Wat vindt hij eigenlijk van Barack Obama? Spruyt: ‘Ik houd van mensen met karakter en een identiteit; Obama heeft dat niet. Hij is niet zwart, hij is niet blank, hij is geen christen, hij is geen moslim. Hij is één groot blank papier. Omdat hij geen identiteit heeft, kon iedereen zijn hoop op hem projecteren.’ De verwachtingen die Obama heeft opgewekt, zijn volgens Spruyt zo hoog dat hij die nooit kan waarmaken. Maar er is nog een fundamenteler bezwaar: ‘Het is verkeerd dat iedereen Obama verheerlijkt, dat hoort niet binnen het politieke domein. Adoratie van een politicus kan heel gevaarlijk zijn.’

Is het dan niet goed dat er een einde komt aan de rampzalige politiek van Bush in het Midden-Oosten? Spruyt vertelt dat hij zeer onder de indruk was van 9-11 en de bewijzen aanvankelijk geloofde. Hij steunde ook de oorlog in Irak, ‘met de verwachting dat een conservatief als Bush zou begrijpen dat democratisering van Irak een langdurig proces zou worden.’ Het kortetermijnproject dat Irak werd, had geen kans van slagen.

Europese verkiezingen
Spruyt kijkt uit naar de Europese verkiezingen: ‘Het wordt ontzettend spannend. We hebben natuurlijk een riskante fase achter ons. Het is ongekend dat de drie traditionele partijen gezamenlijk niet eens een meerderheid halen. Ik verwacht dat het vertrouwen in de politiek weer wegsijpelt als men gaat nadenken over de consequenties van de crisis. De overheid kan er niets tegen doen in de economie. Nu zal voor het eerst blijken wie er in deze economische crisis het vertrouwen van de burgers krijgt. Ik weet niet of Wilders het wel aandurft; die Europese verkiezingen. De gedachte dat er ergens in Brussel een hok is waar PVV op staat terwijl hij daar niet 24/7 de controle over heeft, moet voor hem onverdraaglijk zijn.’

11.2.09

Dalrymple krijgt kritiek van links*

De Britse cultuurcriticus Theodore Dalrymple, al jaren een favoriet van alles wat rechts en conservatief is, krijgt nu ook kritisch weerwerk in Nederland, van linkse academici, al is hun kritiek niet erg overtuigend omdat de alternatieven vaag blijven.


‘Een spook waart door de westerse wereld: het spook van de onderklasse’, schreef de spraakmakende cultuurcriticus Theodore Dalrymple in 2004 aan het begin van zijn boek over het Leven aan de onderkant. ‘Er waart een plaaggeest door links Nederland. Zijn naam is Theodore Dalrymple en hij brengt een inconvenient truth’, schrijft een Nederlandse socioloog aan het begin van een artikel dat deel uitmaakt van een hele bundel met kritische reacties op Dalrymple.

De inconvenient truth die Dalrymple sinds een jaar of vijf in Nederland uitdraagt, is vooral gericht tegen de opvatting dat mensen – hun gedrag, hun denken en hun levenswijze – gedetermineerd zijn door de omstandigheden waarin zij zijn opgegroeid, het soort jeugd dat zij hebben gehad en de kansen die zij hebben gekregen. Daarmee keert Dalrymple zich ook tegen een hulpcultuur die ervan uitgaat dat de problematiek van de achterstandswijken uitsluitend moet worden aangepakt door er de materiële leefomstandigheden te verbeteren. In plaats van de bewoners van die wijken als willoze slachtoffers van hun omstandigheden te zien, zouden we ze volgens Dalrymple op hun eigen kunnen en verantwoordelijkheid moeten aanspreken. En als ze verslaafd zijn, moeten we ze niet als zieken benaderen. Het roken van heroïne is vooral een moreel en mentaal probleem.

Er zijn volgens Dalrymple nu eenmaal culturen die niet in hun waarde moeten worden gelaten, maar bijgestuurd en verheven dienen te worden. Dat lukt ons echter niet zo lang ons denken gevangen blijft zitten in egalitarisme en cultuurrelativisme, want dan zijn verschillen in cultuur altijd principieel gelijkwaardig. De ene cultuur is niet inherent beter dan de ander, zo heeft een ruimdenkende elite van politici en academici vastgesteld. En daarmee hebben ze een systeem gecreëerd waarin mensen slachtoffer blijven en de onderklasse in stand wordt gehouden. Dwars tegen de ideologie van het relativisme in, tegen de politieke correctheid ook, tegen het vulgaire doorbreken van taboes in de moderne kunst en tegen de vermeende ruimdenkendheid van de elites propageert Dalrymple een terugkeer naar het klassieke beschavingsideaal, met veel positieve waardering voor het christelijk geloof als moreel kompas.

Dalrymple – pseudoniem van Anthony M. Daniels (1949) – is een ervaringsdeskundige. Hij werkte niet alleen in ontwikkelingslanden als Tanzania en Zimbabwe, maar vooral jarenlang als arts en psychiater met hoeren, junks, alcoholisten en criminelen in een ziekenhuis en gevangenis in een achterstandswijk in de Engelse stad Birmingham. Zijn patiënten, zo bleek, verontschuldigden zich voor hun wangedrag met behulp van argumenten die hulpverleners hun hadden ingefluisterd. Sinds zijn pensionering in 2005 woont Dalrymple op het Franse platteland.

Dalrymple’s boeken hebben vooral in Nederland een warm onthaal gevonden. Het opvallende en aardige is dat het werk van Dalrymple, een uitgesproken en erudiete conservatief, niet alleen in ‘rechtse’ kringen is verwelkomd, maar dat ook politici en intellectuelen die zich door zijn kritiek getroffen konden voelen, zich met hem hebben ingelaten. PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem heeft Dalrymple regelmatig genoemd en geprezen. In de NRC prees Bas Heijne de ‘nietsontziende manier waarop Dalrymple zich tegen de gemakzuchtige aannames van het correct denkende establishment keert’. En Hans Wansink schreef in de Volkskrant dat de Nederlandse bijstandscultuur inderdaad funest is omdat die cultuur ‘mensen in de onderklasse berooft van de gedachte dat je zelf verantwoordelijk bent voor je lot en dat je je eigen omstandigheden in principe kunt verbeteren’.

En dan is er nu, bij de uitgeverij van Edo Klement in Kampen, een boek verschenen dat kritisch weerwerk aan de opvattingen van Dalrymple biedt. De tien reacties zijn gegroepeerd rondom drie thema’s: cultuur en beschaving, sociaal werk en de cultuur van de onderklasse, en conservatisme en beschaving. Zij worden voorafgegaan door een nog niet eerder verschenen essay van Dalrymple zelf, waarin hij nog eens uitlegt wat het verschil tussen hoge en lage cultuur is en wat de sociale en culturele schade is die voortvloeit uit de ontkenning van dat onderscheid. De meeste auteurs zijn verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven, uit Nederland doen Evelien Tonkens en Hans Boutellier mee. Boutellier schrijft in deze bundel dat de bijdragen van Tonkens aan het debat vooral van ‘geworstel’ getuigen en dat de heldere stellingname van Dalrymple in vergelijking daarmee een verademing is. Dat ben ik met hem eens.

De toon van de bijdragen is respectvol. Dalrymple wordt niet alleen om zijn inhoudelijke bijdrage en heldere stijl geprezen maar ook om zijn ‘Brits flegma en de zelfrelativerende toon van een gentleman. Belezen en wereldwijs werpt hij zich op als een authentieke, conservatieve stem.’

Het deel van de bundel dat aan Dalrymple’s conservatisme is gewijd (vier essays) is welwillend maar loopt niet over van begrip. Dat wil zeggen: wat voor Dalrymple en conservatieven van gelijke snit haast vanzelfsprekend is, wordt in deze bijdragen onnodig filosofisch geproblematiseerd. ‘Dalrymple’s conservatisme is een pleidooi voor volksverheffing, voor cultuur in het algemeen, voor ontwikkeling, voor inspanning in plaats van ontspanning, voor beheersing in plaats van ontlading’, stelt een van de auteurs, Thomas Nys, terecht vast. Die auteur weet ook dat die visie terug gaat op de overtuiging dat er zoiets als een permanente morele orde bestaat, een ‘geografie van goed en kwaad’, maar tegelijk stelt hij vast dat conservatieven geen archimedisch punt kunnen vinden om hun moraal een stevig fundament te geven. En daarom kunnen zij nooit een oplossing aandragen. Die kritiek ziet over het hoofd, zou Dalrymple zeggen, dat dat fundament wel degelijk gelegd is maar dat hij – ‘ik ben maar gewoon een dokter’ – alleen kan vaststellen wat er mis gaat en waarom een terugkeer naar een oudere traditie heilzaam is.

De meeste bijdragen in deze bundel zijn helaas niet zo helder en leesbaar als die van Dalrymple zelf. De lezer moet zich door nogal wat jargon heen bijten. Als de een de ‘egalitair-liberale verstandhouding’ beschrijft en ‘afweegt’, is een ander bezig de ‘grond te bevragen waarop Dalrymple zijn standpunten bouwt’. Soms wordt de toon wat onhebbelijk. Er wordt te gemakkelijk met termen als ‘markt’ en ‘neoliberaal’ gesmeten, en Dalrymple’s klachten heten ‘gratuit’, zijn aanpak ‘te simplistisch’, zijn beeld van armoede ‘ongenuanceerd’. Wat wordt daar tegenover gesteld?

In de meest leesbare bijdrage, die van Hans Boutellier (de Nederlandse socioloog die aan het begin van dit artikel al aan het woord kwam), wordt Dalrymple enerzijds geprezen vanwege zijn kritiek op ‘de links-libertaire mentaliteit’, maar anderzijds heet hij ‘niet boeiend’ en ‘oninteressant’ omdat hij zich in zijn zoektocht naar nieuwe coherentie en orde zich voor ‘nieuwe realiteiten’ zou afsluiten. In de nieuwe verhoudingen van de netwerksamenleving, die ‘onvermijdelijk’ tot een ondergang van een oude beschaving leiden, past een nieuwe moraal. Wat is die nieuwe moraal?

Boutellier definieert die als een zoektocht naar ‘de inherente zin van de sociale praktijk’. Een pagina later herhaalt hij deze formulering. Je slaat de bladzijde nog eens om en dan blijkt het artikel afgelopen te zijn.

Deze bundel is een mooi initiatief. En ik wens allen die beseffen dat Dalrymple gelijk heeft met zijn kritiek op de links-libertaire ondermijning van de beschaving maar terugdeinzen voor zijn conservatieve alternatief heel veel succes bij het formuleren van hun eigen alternatief. Maar zo schiet het natuurlijk niet op. ‘Het gaat hierbij’, schrijft Boutellier, ‘om een nadrukkelijke dialoog over de inhoudelijke kern van de praktijk, zonder welke deze praktijk als zinloos kan worden beschouwd’. Zo is dat!

N.a.v. Jelle Zeedijk e.a.
Bedrogen door de elite?
Klement / Pelckmans € 19,95

*(Ook verschenen in HP/De Tijd)

5.2.09

Snode samenspraken met linkse christenen

In 2001-2002 hebben vertegenwoordigers van de ChristenUnie en van de conservatieve Edmund Burke Stichting in Haagse huiskamers snode samenspraken gevoerd. De ChristenUnie, toen nog in een lastig proces van fusering verwikkeld, kreeg de vraag voorgelegd of het denkbaar zou zijn dat de partij zich op termijn tot een conservatieve partij zou willen verbreden. En alhoewel er over en weer de nodige sympathie bestond (van de kant van de ChristenUnie vooral bij dr. Bart Verbrugh), werd de suggestie dat de ChristenUnie zich zou kunnen ontwikkelen tot een niet-exclusief-christelijke programpartij bijna verontwaardigd van de hand gewezen.
Alleen het Evangelie, alleen de Bijbel als het Woord van God reikte de partij de normen aan die in de politiek gehandhaafd moesten worden in een expliciete poging de samenleving te herkerstenen. Een verbreding van de partij tot een platform waarop mensen elkaar zouden kunnen vinden die – al dan niet christelijk geïnspireerd – een dam tegen de modernisering van Nederland wilden opwerpen, was ondenkbaar en onbespreekbaar.

Zovele jaren na dato lijken de pogingen van toen van een haast onthutsende naïviteit te getuigen: de ChristenUnie heeft zich ontpopt als een christelijk-sociale partij en dat is heel iets anders dan de (christelijk-)conservatieve partij die de Edmund Burke Stichting voor ogen stond. En de ChristenUnie heeft destijds tevergeefs gehoopt dat de achterban van de Edmund Burke Stichting een electorale vijver zou vormen.

Er is sindsdien het nodige veranderd. De Edmund Burke Stichting, door schade en schande wijs geworden, heeft zich van alle partijpolitiek gedistantieerd en heeft de handen vol aan de programma’s die het voor studenten organiseert. Maar ook de ChristenUnie is veranderd. Na enkele teleurstellend verlopen verkiezingen verdubbelde de partij in november 2006 haar zetelaantal tot zes, en is het deel gaan uitmaken van het vierde kabinet-Balkenende. Dat regeren ging van au! omdat het om de nodige concessies en compromissen vroeg. Dat pijnlijke proces ging gepaard met vergoeilijkende opmerkingen over de uiteindelijke volwassenheid van de partij. De ChristenUnie is nu, opererend op het snijvlak van overtuiging en politieke realiteit, de programpartij die het in 2002 nog niet wilde zijn.

Die ontwikkeling is natuurlijk gedragen door inhoudelijke veranderingen. In een interessante beschouwing van Piet de Jong van het Nederlands Dagblad (30 januari 2009) komt duidelijk naar voren dat die veranderingen nu culmineren in een proces van herijking. De partij streeft niet langer naar de herkerstening van Nederland. Zij accepteert dat Nederland definitief een postchristelijk land is. In de praktijk heeft dat tot een verzakelijking geleid die nu met een theologische herbronning gepaard gaat. Een van de hoofdrolspelers is de gereformeerd-vrijgemaakte ethicus Ad de Bruijne, die christelijke politici oproept tot bescheidenheid en tot het zetten van kleine stappen en het sluiten van compromissen – een benadering die de conservatieve Burke-mensen in 2002 zouden hebben ondertekend – anders dan de toenmalige representanten van de ChristenUnie.

Deze herbronning (door André Rouvoet getypeerd als het ‘volwassen worden van de kleine christelijke politiek’) mondt in de praktijk echter uit in een ‘zakelijkheid’ die tot een ‘verflauwing der grenzen’ en daarmee tot een geheel andere visie op de staat heeft geleid. In zijn column voor Opunie heeft Bas Hengstmengel daar op een overtuigende wijze de vinger bij gelegd (‘Quo vadis, CU?’, 20 januari 2009). Hengstmengel stelt terecht vast dat Rouvoet de visie aanvankelijk zag als een opdringerige instantie die ‘plaatsvervangend taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden naar zich toetrekt’, tot een orgaan dat grote maatschappelijke problemen, ook in de gezinnen, moet en kan oplossen. ‘Een opvatting die we nog wel eens tegenkomen, namelijk dat de opvoeding van de kinderen door de staatsgemeenschap (gedeeltelijk) aan het gezin is gedelegeerd, moet fundamenteel van de hand worden gewezen’, schreef Rouvoet zelf in zijn boekje Reformatorische Staatsvisie uit 1992.

Rouvoet heeft zijn ommezwaai verdedigd met een beroep op een filosoof uit de kring van de reformatorische wijsbegeerte, Jonathan Chaplin. In een lezing in de Leidse Lokhorstkerk, in maart 2008, en in een artikel in Denkwijzer (juni 2008) probeerde Rouvoet uit te leggen dat zijn beleid niet in strijd was met de traditionele Kuyperiaanse gedachte van de soevereiniteit in eigen kring. Volgens die gedachte van Kuyper zijn alle kringen soeverein, hebben zij niets boven zich dan God en mag de staat zich hier niet tussen de kring en God schuiven. Ouders zijn dus verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen, en de overheid heeft hier dus niets achter de voordeur te zoeken.

Dat althans zou je denken, maar wie zo denkt heeft er volgens Rouvoet helemaal niets van begrepen. Want Chaplin heeft hem geleerd dat de overheid – juist vanuit de gedachte van de soevereiniteit in eigen kring – moet ingrijpen als ouders te kort schieten in de opvoeding van hun kinderen. Als daarvan sprake is, en als de overheid dan optreedt om de schending van de rechten van kinderen te voorkomen of te beëindigen, dan is er volgens Chaplin ‘geen sprake van onrechtmatige staatsbemoeienis’ of van het ‘overschrijden van grenzen’ maar juist van een staat die in eigen rechte aan zijn unieke roeping invulling geeft.

De ontwikkeling van het denken binnen de ChristenUnie tot dit standpunt is een van de meest tragische en verwerpelijke die ik ken. Wie in alle ernst meent dat de overheid de taak heeft om ‘de voorwaarden te scheppen waardoor gezinnen zich kunnen ontwikkelen en ouders de opvoeding en verzorging van kinderen op zich kunnen nemen’, dat de overheid zelf direct (zij het bij voorkeur tijdelijk) moet ingrijpen ‘als een gezin in de problemen is geraakt’, is van de traditie geheel los geraakt.

Het oude ideaal van de herkerstening maakt hier plaats voor de gedachte dat de gevolgen van de secularisatie kunnen worden gerepareerd door een overheid die neutraal en zorgzaam alle geslagen wonden kan genezen. Dat principe van de staat als ultimum remedium is in de eerste plaats voorbarig. Aan het grijpen naar het ultieme geneesmiddel van de staat, als dat al moest worden voorgesteld, had een lang en diepgravend politiek debat vooraf moeten gaan. En daaraan heeft het volledig ontbroken. Het had moeten gaan over de vraag wat een gezin eigenlijk is en waarom sterke gezinnen zo belangrijk zijn. Dan had dus gezegd moeten worden dat een gezin behoort te bestaan uit een biologische vader en moeder en hun kinderen. Dat het van belang is dat de moeder thuis is om, zeker als de kinderen nog de school gaande leeftijd hebben, voor de kinderen te zorgen. Dat het goed is om dat (desnoods) fiscaal te faciliteren.

Hoe is het mogelijk dat een christelijke minister een Gezinsnota uitvaardigt met op de kaft een afbeelding van een gezin dat uit een moeder, twee kinderen en een hond bestaat?

Politici hebben de neiging het belang van debat te ontkennen. Maar debat kan leiden tot een nieuwe bewustwording en tot andere keuzes, en daarmee effectiever zijn dan welk beleid dan ook.

Ik begrijp heel goed in welk een lastige situatie André Rouvoet zich bevindt. Je zult maar programmaminister zijn, omringd door ambtenaren die natuurlijk allemaal PvdA stemmen. Ga dan maar eens in tegen de dominante trend die wil dat moeders nog meer moeten gaan werken, en die een gezin definiëren als een of twee ouderen en kinderen.

Maar het had Rouvoet gesierd wanneer hij de discussie had aangedurfd en het hele gebied tussen de bestaande situatie en het besluit om de overheid naar ultieme middelen te laten grijpen, niet had overgeslagen.

En dat grijpen naar het instrumentarium van de staat is niet alleen voorbarig maar ook onjuist: de overheid kan niet van je houden en is niet neutraal, en zal zeker in onze tijd niet gericht zijn op de genezing van verstoorde of verbroken relaties.

De ChristenUnie heeft het ideaal van de herkerstening dus opgegeven en ingewisseld voor een modern links beleid waarin de overheid als laatste redmiddel orde in de chaos van de secularisering moet scheppen. Het heeft zich daarmee van zichzelf vervreemd en zich ver verwijderd van de vertegenwoordigers van de ChristenUnie van 2002, en van hun toenmalige conservatieve gesprekspartners. En dat is extreem spijtig voor mensen die, in het voetspoor van Groen van Prinsterer, het liefst een anti-moderne coalitie (hadden) zien ontstaan

(ook verschenen op de website Opunie)

4.2.09

Horen goden in de politiek?

In de Trouw van vandaag staat een nieuwe aflevering van het filosofisch elftal. Met Ger Groot ga ik daar in discussie over de nieuwe behoefte aan helden in de politiek.


Rond de eeuwwisseling werd ‘het eind van de ironie’ afgekondigd. Bijna tien jaar later, met Barack Obama in het Witte Huis, verlangen we naar onvervalste helden. Waar moet een held aan voldoen?

De Amerikaanse president Barack Obama plaatst zichzelf zonder enige relativering in de lijn van grote historische figuren zoals Washington en Lincoln. Hij schaamt zich er niet voor, en hij wordt er evenmin op aangevallen.

Volgens Ger Groot is dit tekenend voor onze behoefte aan ‘morele helden’. ,,Tot voor kort hielden we ons het liefst bezig met het ironiseren en het deconstrueren van helden. We toonden bij voorkeur de achterkant van het heldendom, alles wat ook maar het aanschijn had ‘hoog en edel’ te zijn, moest naar beneden worden gehaald, ontmaskerd en geridiculiseerd. Dat is voorbij.

We spreken onze bewondering uit en spiegelen ons aan ‘helden van de geest’, zoals Calvijn. Grote historische figuren zoals hij en zelfs heiligen – ‘helden des geloofs’ – staan weer volop in de belangstelling.”

De hang naar helden past volgens groot bij ‘onze staat van morele herbewapening’. ,,Die is al langer aan de gang, maar de huidige economische crisis werkt er zeker niet remmend op. Al in het jaar 2000 kondigde de Amerikaanse schrijver Dave Eggers ‘het einde van de ironie’ af. Nu ontvouwt zich de apotheose van die tendens: de terugkeer van het heldendom.”

Bart Jan Spruyt beaamt deze observatie: ,,Ook in Nederland hebben we behoefte aan het overwinnen van de verdeeldheid die heerst sinds de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh. Het harde, vileine, boosaardige debat over de Nederlandse identiteit en over de vermeende islamisering. Er is behoefte aan een nieuwe charismatische politicus, een groot talent, een virtuoos. Hij moet in staat zijn om in glasheldere taal tegenstellingen te overbruggen en een nieuw idee van Nederland te formuleren.
Veel Nederlanders hebben zoiets bij Pim Fortuyn ervaren. Bij Obama gebeurt het opnieuw. Maar bij ons keert intussen de middelmatigheid terug in de politiek. Het opportunisme bovendien, en als gevolg daarvan mogelijk het cynisme. Terwijl we daar juist klaar mee zijn: mensen hebben genoeg van de ‘Maarten van Rossem-benadering’: ‘het deugt niet, het kan niet, het zal nooit wat worden’.”

Waar moet een held eigenlijk aan voldoen? Groot: ,,Een held is iemand die uitzonderlijke, prijzenswaardige dingen doet. Hij verricht res gestae, heldendaden. Bij Homerus en in andere mythische vertellingen gaat het er niet zozeer om wie de held is, maar om wat hij doet.”

Spruyt: ,,Dat lijkt me iets wat Obama in zijn oren zou mogen knopen.”

Groot: ,,Inderdaad, zij het dat die daden meestal gewelddadig van aard waren. Simson, Hercules, Ajax, allemaal krachtpatsers. Odysseus, held van de tweede generatie, is een van de eersten die niet uitblinkt in kracht, maar in slimheid. Toch is hij beslist geen morele held. Hij gebruikt zijn intellect om anderen te bedriegen. Wij zouden hem maar een sjoemelaar vinden.

Onder invloed van het christendom wordt de held vervolgens een naar binnen gekeerd persoon. Heiligen gaan een soort heldenrol vervullen. Antonius (vierde eeuw na Christus) verslaat bijvoorbeeld als een held de demonen die hem belagen. In de Middeleeuwen duiken nog wel wat ouderwetse mannetjesputters op, bijvoorbeeld in de diepste lagen van de Arthur-sage. Maar ook daarin is vanaf de twaalfde, dertiende eeuw een grotere verfijning zichtbaar. De helden krijgen betere omgangsvormen, ten aanzien van de dames en zo.

Een belangrijk nieuw element van het heldendom was de zelfbeheersing. Een van de beproevingen van de held in de hoofse literatuur is dat hij zijn vrouw – van wie hij welhaast de halfzachte slaaf is geworden – wel mag zien, maar niet mag aanraken.

Gaandeweg ontstaat dan het beeld van de geestelijke held. Dat beeld wordt steeds moreler en het mondt uit in de ‘ridder zonder vrees of blaam’. Obama lijkt waarschijnlijk het meest op dit laatste type. Hij is iemand die op een volstrekt geïdealiseerde wijze het goede belichaamt. Momenteel is er geen ondeugd op hem van toepassing. Hij is in alle opzichten de voortreffelijkheid in persoon, heilige en held ineen. Een bovenmenselijk perspectief.”

Spruyt: ,,Dat klopt en dat is een zeer zorgelijk en onwenselijk gegeven. De adorerende verdwazing die nog steeds rond de persoon van Obama hangt, hoort niet thuis in de politieke arena. Het is geen probleem als mensen een muzikant of sporter adoreren, maar als een politicus verafgood wordt, is dat riskant en beangstigend.
Obama heeft zijn heldendom te danken aan zijn kleurloosheid, zoals meer populaire helden. Hij is een man zonder identiteit en karakter; hij is niet zwart en niet wit, niet christelijk en niet niet-christelijk. Hij is een leeg vel papier en hij sprak tot nu toe uitsluitend in poëtische taal over hoop en verandering, zodat bijna iedereen dat blad met de meest uiteenlopende verwachtingen vol kon tekenen. Maar een nieuwe president kan onmogelijk de economische crisis, de conflicten in het Midden-Oosten én het klimaatvraagstuk oplossen. Dat suggereert hij wel en dat is vragen om ellende en teleurstelling.”

De invulling van ‘heldendom’ kan soms per regio verschillen. Premier Erdogan van Turkije werd vorige week als een held onthaald in zijn eigen land, nadat hij op een conferentie in Davos de Israëlische president Peres een uitbrander had gegeven over Gaza.

Groot: ,,In de ogen van zijn aanhangers was Erdogan een held omdat hij als David tegen Goliath was opgestaan, de gangbare manier waarop de Arabische wereld de verhouding tussen Israël en haar buurlanden omschrijft. Een merkwaardige omkering van zaken.”

Spruyt: ,,Erdogan wist: als ik in deze setting mijn tegenstander verbaal tuchtig en daarna boos wegloop, maak ik me heel populair bij een groot deel van mijn bevolking en in de Arabische wereld. Terwijl echt heldendom het tegendeel is van populisme: vastberaden de moeilijke, lange weg gaan in plaats van snel en makkelijk scoren. Als hij gezegd had dat hij begrip had voor de Israëlische zelfverdediging, dan was hij een held geweest.”

Groot: ,,Iemand die bereid is om te praten met de vijand – dat is in hedendaagse termen pas echt heldhaftig. De moderne held moet ook altijd zichzelf overwinnen.
Ofwel de angst voor het feit dat de ander sterker is, ofwel: hij moet zijn eigen superieure fysieke kracht overwinnen door die niet in te zetten.”