Twitter Updates 2.2: FeedWitter

28.1.09

Gedoe om Geert

Nu het Amsterdamse Hof heeft bepaald dat het Openbaar Ministerie Geert Wilders moet gaan vervolgen, staat Wilders sinds vorige week opnieuw in het middelpunt van de mediabelangstelling. Mijn column in Elsevier en mijn recensie in de HP/De Tijd (over een recent essay van Joost Zwagerman) gaan beide over het 'gedoe om Geert'.



Dwaze rechters

Geert Wilders blijft voor velen een ongrijpbaar fenomeen. Als hij onthult dat het zoontje van een ervaren NRC-journalist hem met de dood heeft bedreigd en dat die journalist een vervelend stukje over hem heeft geschreven nadat hij (Wilders) heeft geweigerd om geen aangifte te doen, offert een instituut als NRC Handelsblad die journalist gewoon op. Wanneer Wilders onthult dat hij na de Europese verkiezingen met het Vlaams Belang wil gaan samenwerken, kraait daar geen haan naar – terwijl de associatie met Filip Dewinter voorheen afdoende was om Wilders voorgoed in diskrediet te brengen. Als hij (zo goed als zeker) liegt in het grote Fitna-debat maar een onderzoek naar de precieze gang van zaken weigert, komt hij daar gewoon mee weg – ook als kort daarop blijkt dat een meerderheid van de bevolking denkt dat niet hij maar de regering heeft gelogen. En nadat het Amsterdamse Hof vorige week had aangekondigd dat het Openbaar Ministerie Wilders toch maar moet vervolgen vanwege zijn ‘haatzaaiende’ uitlatingen over de islam, waren de reacties van zijn collega-politici tamelijk afgepast. Velen, aangevoerd door Mark Rutte, vonden toch vooral dat de vrijheid van meningsuiting niet in gevaar mag komen.

Wilders is veel in het nieuws en er wordt veel over hem gesproken, maar waar haast niemand het over heeft, is de vraag wat nu precies de functie van zijn PVV is.

Die vraag is eigenlijk tamelijk gemakkelijk te beantwoorden. Er zijn honderdduizenden Nederlanders die zich meerdere malen per week verbijten over wat zij in de krant lezen over geweld, achterstandswijken en moslims. Vroeger sloeg die afkeer bij hen naar binnen omdat niemand publiekelijk uiting aan hun onrust gaf. Nu weten al die mensen dat Wilders’ adjudant, Fleur Agema, diezelfde ochtend al in alle vroegte naar een benzinestation langs de rijksweg is gereden, daar alle kranten heeft gekocht, die heeft gelezen en over alle berichten al lang schriftelijke vragen heeft gesteld of een spoeddebat heeft aangevraagd. En daarna weer is gaan slapen.

Dat kunnen wij vervolgens ook doen, dankzij de PVV, gewoon verder slapen.

Want het punt is dat de PVV wel honderden Kamervragen stelt en debatten aanvraagt, en dat er erg veel wordt gesproken over de onderwerpen die de PVV aansnijdt, maar dat er natuurlijk helemaal niets verandert. Als Wilders al de intelligentie heeft om dat zelf ook vast te stellen, kan het hem niets schelen. Hij stijgt in de peilingen, en hoeft dus nog niet te emigreren.

De functie van Wilders en zijn PVV in ons politieke systeem is dus die van bliksemafleider. Hoezeer hij zich ook als buitenstaander opstelt, in feite is Wilders degene die het systeem in stand houdt en versterkt. Het politieke systeem heeft hem geabsorbeerd voert hem in zijn gelederen op als het grote excuus aan de kiezers. Het onbehagen wordt vertolkt! Maar ondertussen is die nieuwe Europese Grondwet er gewoon gekomen, wordt de greep van de overheid op de samenleving alleen maar groter en gaat de islamisering gewoon door. En iedereen vindt dat prima. Het zou pas vervelend worden wanneer het systeem als zodanig ter discussie zou worden gesteld (zoals Pim Fortuyn deed), maar dat snapt Wilders niet, of juist heel goed: hij begrijpt dat zelfs hij alleen binnen dat systeem kan gedijen.

Binnen de politieke en maatschappelijk elite begrijpt iedereen dat ze het spel met Wilders zo moeten spelen. Behalve die dwaze Amsterdamse rechters. Die willen Wilders nu gaan vervolgen, uitsluiten, in de gevangenis gooien, onschadelijk maken. Daarmee roepen zij, dom genoeg, niet alleen een maatschappelijke discussie op over de samenstelling en politieke voorkeuren van de Nederlandse rechterlijke macht als zodanig, maar maken zij ook de repressieve tolerantie van het systeem als zodanig ongedaan. Ze maken van Wilders een held buiten het systeem, en maken hem daarmee zo groot dat hij voor dat systeem zelf een bedreiging kan gaan vormen.

Wee u, gij rechters! Wee u, gij Wilders! Jullie trekken elkaar mee in een wedloop die alleen in de chaos van een imploderend systeem kan eindigen.

Bewust of onbewust hebben Wilders’ collega-politici vorige week aangevoeld dat het Amsterdamse hof een ontwikkeling in gang kan gaan zetten waarbij zij uiteindelijk alleen maar te verliezen hebben. Vandaar dat ze maar weer over de vrijheid van meningsuiting begonnen. En zo’n implosie van het systeem waartegen hij zich zegt te keren, wil Geert Wilders zelf ten diepste ook helemaal niet. Hij is zich rot geschrokken, vorige week, bij dit vooruitzicht, dat voor hem alleen in een vlucht naar het buitenland kan uitmonden.

(eerder verschenen in Elsevier)



Ontmaskerd verraad?*

Joost Zwagerman schrijft scherpzinning over de oud-linkse hypocrisie maar kan de vraag waarom zijn vijanden zo hypocriet zijn, zelf ook niet beantwoorden.


Tegen Geert Wilders is blijkbaar geen kruit gewassen. Al ruim vier jaar proberen collega-Kamerleden hem te negeren, te demoniseren of verbaal tegenpartij te bieden, maar tevergeefs. In het afgelopen weekend maakte Wilders’ PVV een sprong in de peilingen, van 17 naar 20 zetels, elf meer dan de partij er nu heeft. Daarmee is de PVV nu even groot als de VVD, de partij die hij in de zomer van 2004 verliet.
Die sprong volgde direct op de aankondiging van het Amsterdamse gerechtshof dat het Openbaar Ministerie Wilders toch moet gaan vervolgen vanwege zijn uitspraken over de islam. Die zijn zo ruig en generaliserend dat er sprake is van belediging, discriminatie en haatzaaien en daarmee van een overschrijding van de grens van de vrijheid van meningsuiting. Berucht zijn vooral de uitlatingen van Wilders waarin hij de islam met het nazisme vergelijkt en de Koran met Hitler’s Mein Kampf. In een van de aanklachten tegen Wilders, die van advocaat Gerard Spong, wordt daar protest tegen aangetekend. In diezelfde aanklacht wordt Wilders zelf direct vergeleken met nazi-propagandist Joseph Goebbels.

Een van de weinigen die zich over dat voortdurende meten met twee maten verbaast, is Joost Zwagerman. Zwagerman (1963) is een succesvol schrijver, maar ook een columnist die met grote regelmaat scherpe stukken in de krant schrijft tegen de leegte en verwarring op links. Hij bundelde die stukken in Hollands welvaren en publiceerde het pamflet De schaamte voor links (2007), waarin hij die verwarring vaststelde in het normen-en-waarden-debat, de multicultuur en de uitholling van het onderwijs. Bezorgd stelt Zwagerman vast dat links het initiatief voor het debat uit handen heeft gegeven aan een ‘gelegenheidscoalitie van christenen en neoconservatieven’. En gek genoeg is Zwagerman van mening dat die alliantie alleen door een andere coalitie kan worden doorbroken: een nieuwe progressieve partij van PvdA en SP, ‘eventueel’ aangevuld met GroenLinks. Volkskrant-journalist Martin Sommer stelde al eerder vast dat ‘des lezers klomp’ hier toch breekt: want met die suggestie zijn we ‘niet bij de toekomst van links zoals Joost Zwagerman denkt, en zelfs niet bij de linkse toekomst van gisteren. Dan zijn we aanbeland in de toekomst van eergisteren’.

Juist op het moment waarop de komende vervolging van Wilders volop in het nieuws is, is er een nieuw boekje van Zwagerman verschenen, een bundeling van een eerder gepubliceerd essay en de tekst van een lezing: Hitler in de polder & Vrij van God. IJverig en scherpzinnig gaat Zwagerman in beide teksten tekeer tegen de ‘lelieblanke elite’ van oud-linkse schrijvers die zich zelf in het verleden vermeiden in beledigende teksten over alles wat christelijk was of naar het christendom riekte en die zich nu woest maken op publicisten die met evenveel enthousiasme het islamitisch geloof te lijf gaan. Met Wilders is Zwagerman van mening dat de aankondiging van het Hof een zwarte dag voor de vrijheid van meningsuiting is. Verder distantieert hij zich natuurlijk nadrukkelijk van Wilders, die hij, ‘zoals filmregisseur Eddy Terstall het altijd zegt, obsesionado’ noemt. ‘Hij is geobsedeerd door de islam en door degenen die in Nederland deze religie aanhangen. Zijn obsessie geeft hem in de meest bedenkelijke en smakeloze ideeën rond te strooien’. Maar, zo vraagt Zwagerman zich ook af, ‘zijn die ideeën een-op-een vergelijkbaar en onderling uitwisselbaar met het gedachtegoed van de nazi’s, die een systematische uitroeiing van de Joden in en buiten Europa voorstonden?’

De kracht en waarde van beide essays is wat mij betreft vooral gelegen in de ijver en verbetenheid waarmee Zwagerman oud-linkse schrijvers als Jan Blokker, Hugo Brandt Corstius, J. A. A. van Doorn en Frits Abrahams achtervolgt. Het lijkt wel alsof hij Fortuyns aansporing ‘Achtervolg ze tot in de hel’ als een persoonlijke opdracht is gaan opvatten.

Zo achterhaalt hij dat Frits Abrahams van de NRC ooit door de Bond tegen het Vloeken is aangeklaagd wegens godslastering. Abrahams had namelijk geschreven dat hij een ‘oud boekske’ had ingezien en dat God daarin op een nogal curieuze manier werd voorgesteld. De bewoordingen die Abrahams daarbij gebruikte, waren volgens de Bond godslasterlijk en vandaar de rechtszaak, die Abrahams overigens won. Maar Abrahams is nu zelf op de stoel van de Bond tegen het Vloeken gaan zitten door zich te beklagen over de hoge toon waarop Ehsan Jami afscheid nam van het geloof waarin hij was opgegroeid. Waarom eiste Abrahams in zijn kritiek op het christendom een vrijheid van meningsuiting voor zichzelf op die hij Jami niet vergunt?

Zwagerman herinnert ook aan de steun die Jan Blokker in 1989 gaf aan de schrijver Salman Ruhsdie, toen deze door een fatwa van ayatollah Khomeiny was getroffen. Blokker maakte zich destijds erg kwaad over diegenen die enig begrip opbrachten voor de gekwetstheid van sommige moslims. ‘Waarom zou ik?’, schreef Blokker in 1989, ‘begrip moeten hebben voor mohammedanen die op de maat in woede uitbarsten, zinloze heilige oorlogen uitvechten, boeken verbranden?’
Toen Ayaan Hirsi Ali in Nederland haar strijd tegen het vrouwonvriendelijke karakter van de islam begon, was Blokker er als de eersten bij om haar de mond te snoeren. Vrouwtje Ayaan moest haar mond houden, en niet zo provoceren.

Zwagerman dwarrelde zelf uiterst vreedzaam van zijn katholieke geloof af en wil dat iedere Nederlander, christen of moslim, diezelfde weg kan gaan. Wat Karel van het Reve over het Oude Testament beweerde, moet iedere moslim in Nederland over de Koran kunnen beweren. Dezelfde vrijheid van meningsuiting dus voor de autochtoon die het christendom bekritiseert als voor de allochtoon die de islam bekritiseert. Dat ‘de Hollandse culturele elite’ een status aparte voor islamcritici en ex-moslims heeft geschapen, noemt Zwagerman het ‘nieuwe verraad der klerken’ dat ‘ontmaskerd’ moet worden.

Maar doet Zwagerman dat ook? Ontmaskert hij dat verraad? Beantwoordt hij, met andere woorden, de vraag waarom die elite ogenschijnlijk met twee maten meet en voor zichzelf een recht op kritiek op de christelijke religie opeist dat het critici van de islam ontzegt?

Zwagerman heeft het ook over Hugo Claus, die bejubeld is vanwege zijn uitspraak over de grote kathedralen die opgeblazen zouden moeten worden. Tijdens een debatavond in Antwerpen vroeg de schrijver Tom Naegels zich af waarom ‘wij Claus vanwege zo’n uitspraak over het opblazen van kerken in de armen sluiten, terwijl we iemand die voorstelt een paar gewelddadige bladzijden uit de Koran te scheuren stigmatiseren als extreem-rechtse haatzaaier en racist.’ Maar Tom Naegels kreeg die avond geen antwoord op zijn waarom-vraag, schrijft Zwagerman. Die vraag beantwoordt Zwagerman zelf eigenlijk ook niet.

Zwagerman suggereert twee antwoorden. Die ongelijkheid zou toegestaan zijn omdat christenen in Nederland zich in het centrum van de politieke en economische macht bevinden, terwijl moslims nog altijd een broze minderheid vormen. De moslim is de ander, de vreemdeling die onze bescherming behoeft. Zwagerman ontmaskert die houding als ‘valse solidariteit’, maar heeft daarmee nog geen antwoord gegeven op de vraag die hij zelf stelde.

Zijn tweede suggestie is dat ongelijkheid is toegestaan wanneer critici onderdeel uitmaken van een zelf benoemde elite en hun kritiek uitbreiden over alle vormen van religie. Maar dat klopt niet, want dat doen Ayaan Hirsi Ali en Afshin Ellian ook, en dat heeft hen in deze kringen niet populairder gemaakt.

Dichter bij de waarheid komt Zwagerman ongetwijfeld wanneer hij Rudy Kousbroek citeert. Die schreef eens dat de islam eigenlijk nog veel erger is dan het christendom maar dat hij zich over de islam altijd tamelijk discreet uitliet. ‘Misschien wel uit angst voor mijn hachje’, voegde Kousbroek daaraan toe.

Wat Zwagerman niet ziet is dat kritiek op het christendom en clementie met de islam in dienst staat van één en dezelfde moderne agenda: de afrekening met een wereld die door een cultuur werd gedomineerd die velen als een belemmering van hun vrijheid dachten te ervaren, en die moet worden ingeruild voor een wereld waarin alles relatief is, en waarin, als om dat te onderstrepen, de exotische nonsens van een geïmporteerd geloof alle ruimte krijgt. Gewelddadig zijn slechts enkele enkelingen, zeggen de voorstanders van die agenda, uit angst voor het eigen hachje.

Zwagerman is eerlijk en scherp, maar omdat hij uiteindelijk zelf ook onderdeel van deze agenda uitmaakt, verschilt hij slechts gradueel van zijn vijanden en blijft hij blind voor hun redenen, die veel minder dubbelzinnig zijn dan hij denkt.

N.a.v. Joost Zwagerman
Hitler in de polder & Vrij van God (uitgeverij de Arbeiderspers)


* eerder verschenen in HP/De Tijd

22.1.09

C-factor

Mijn nieuwe column in Elsevier gaat over de Calvijn-herdenking die vorige week in Nederland is losgebarsten:


'... Als historicus zou ik eigenlijk blij moeten zijn met elke herdenking van wie of wat dan ook. Herdenkingen tonen immers het belang van kennis van het verleden aan en daarmee van de ambachtslieden die dat verleden onderzoeken en beschrijven. Maar een groot gevoel van medelijden bevangt mij altijd met de personen die worden herdacht – dezer dagen bijvoorbeeld met de Fransman Jean Cauvin (in ons land bekend geworden als Johannes Calvijn), die 500 jaar geleden werd geboren. Het is maar goed dat overledenen hun eigen banale herdenkingen niet hoeven mee te maken.

Die herdenking van Calvijn barstte vorige week ineens los. Overal in het land worden exposities en congressen gehouden en debatten, symposia en studiedagen georganiseerd. Op 30 mei zal premier Balkenende een toespraak houden op de nationale herdenking in Dordrecht. Op de website van Trouw kan iedereen een eenvoudige test doen om zijn eigen mate van calvinisme (zijn C-factor) vast te stellen. Ik scoorde 72 procent, en dat viel me toch een beetje tegen...'

Lees de gehele column in Elsevier, abonneer u hier.

14.1.09

Valkyrie: Stauffenberg en de aanslag op Hitler (20 juli 1944)*















Volgende week donderdag, 22 januari, gaat Valkyrie in première, een film over de spectaculaire maar mislukte aanslag die een groep Duitse officieren op 20 juli 1944 op Adolf Hitler pleegde. De hoofdrol wordt vertolkt door Tom Cruise, die de rol speelt van graaf Claus Schenk van Stauffenberg (1907 – 1944), de kolonel die de bom uiteindelijk onder de tafel plaatste waaraan Hitler zich door zijn staf liet bijpraten over het verloop van de oorlog. De rol van zijn vrouw, Nina van Stauffenberg (1913 – 2006), wordt vertolkt door onze eigen Carice van Houten.









Op dezelfde dag waarop Valkyrie in première gaat, ligt er een boek in de winkels over de echte Nina van Stauffenberg, geschreven door haar dochter Konstanze von Schulthess. Misschien is het toeval, maar het is opmerkelijk dat er ook vorig jaar nog twee boeken over het Duitse verzet en de aanslag op Hitler zijn verschenen: bij Balans verscheen het ooggetuigenverslag van de laatst overledene van de aanslag, baron Philipp von Boeselager (Wij wilden Hitler vermoorden), en bij Contact kwam het machtige essay van Hans Magnus Enzensberger over generaal Kurt von Hammerstein uit, die in 1933 direct na Hitlers machtsgreep zijn ontslag indiende en wiens zoon ook bij de aanslag betrokken was (De eigenzinnigheid van Hammerstein).



Operatie Walküre (in het Engels: Valkyrie) – de codenaam van de betrokkenen voor de aanslag op Hitler en voor de plannen om na zijn dood een nieuw bewind te vestigen en met de geallieerden onderhandelingen te beginnen – is een van de meest fascinerende en aangrijpende episodes uit de moderne geschiedenis. ‘In Duitsland bestond een oppositie’, in de woorden van Churchill, ‘die tot het edelste en grootste behoort wat in de politieke geschiedenis der volken ooit is voortgebracht. Deze mannen streden zonder enige steun van binnenuit of van buitenaf, alleen gedreven door hun onrustige geweten. Hun daden en hun offers vormden het fundament voor een nieuwe opbouw’.

Toen ik zelf, vijftien jaar geleden, samen met mijn toenmalige collega Marie van Beijnum met een boek over dit onderwerp bezig was, en onder andere met de weduwen sprak van enkele putchisten die in de maanden na de aanslag door de koude wraak van Hitler waren getroffen, kwam ik met enige regelmaat in Hamburg, waar Marion Dönhoff (ook al een gravin) woonde en werkte. Ze was uitgeefster van het weekblad Die Zeit en had in de oorlog een rol gespeeld in het verzet in Oost-Pruisen (waar zij vandaan kwam). Toen wij op een dag, na een lang gesprek in haar kantoor, naar een bijeenkomst in de raadzaal van het Hamburgse stadhuis liepen, gaf ze mij een arm en vroeg ze mij midden op straat hoe het toch met ‘der Bernhard’ ging. Ik had geen idee, maar zei dat het hem goed ging omdat ik het idee had dat het mensen als de voormalige prins-gemaal altijd goed ging.



De bijeenkomst in het stadhuis was belegd ter gedachtenis van Helmuth James von Moltke (ook een graaf). Tijdens de lunch in de catacomben van het raadhuis zat ik naast een man die zich voorstelde als Von Münchhausen. Ik dacht dat hij een grapje maakte. Maar hij meende het, hij heette echt zo, en ook hij was baron en dat ik had moeten lachen maakte hem weer vrolijk. Er zat ook een mooie vrouw aan tafel die samen met haar man en enkele jonge kinderen was gekomen. Ik vroeg haar hoe het kwam dat er zo opvallend veel en zo jonge kinderen bij de lange lezingen waren (en ze gedroegen zich natuurlijk uitmuntend). Ze gaf een antwoord dat mij ontroerde: dat die kinderen er waarschijnlijk nog niet veel van begrepen, maar, zo voegde ze hieraan toe, eens – over vele jaren – zouden ze zich deze bijeenkomst toch herinneren, en dan zouden ze ook weten, dat in ieder geval, waarom ze die dag in Hamburg waren geweest, en daarmee was de traditie dan toch doorgegeven.



Ook de dochter van Nina van Stauffenberg heeft iets willen doorgeven. Ze vertelt het wonderlijke levensverhaal van haar moeder, die deels van Baltische adel afkomstig was maar in Zuid-Duitsland (de streek rond Bamberg en Lautlingen) woonde en daar onder de bekoring kwam van een jonge officier die zich met haar verloofde. Deze Claus van Stauffenberg was een typische representant van de Duitse adel. Dienst is ‘bevel en plicht' en gaat dus altijd voor, leerde Nina. Vanaf 1938, de Kristallnacht, raakte hij vervreemd van Hitlers nationaalsocialistische bewind en zocht hij naar mogelijkheden er via een aanslag op de Führer een einde aan te maken. In 1943 raakte hij zwaar gewond in Afrika: hij moest vanaf toen zijn linkeroog, rechterhand en twee vingers van zijn linkerhand missen. Ondanks die handicap moest hij – op 20 juli 1944, in Hitlers militaire hoofdkwartier de Wolfsschanze bij Rastenburg in Oost-Pruisen (nu Polen) – een bom in Hitlers onmiddellijke nabijheid plaatsen, en daarna naar Berlijn terugkeren om er leiding te geven aan de machtsovername. De bom kwam tot ontploffing, maar de aanslag mislukte: Hitler raakte door duivelsgeluk slechts lichtgewond. Stauffenberg en enkele getrouwen werden op de binnenplaats van het oorlogsministerie aan de Bendlerstrasse geëxecuteerd.



Nina wist wel dat haar man bij deze plannen betrokken was, maar wanneer de aanslag zou plaatsvinden wist ze niet, zoals ze ook niet wist dat haar man de uiteindelijke pleger zou zijn. Voor zijn dood had hij Nina bevolen zijn kinderen in geval van zijn overlijden te vertellen dat hun vader zich had vergist, dat hij een verrader was geweest en dat de Führer dankzij Gods genade gelukkig nog in leven was. Die distantie leek de enige kans op overleven te bieden. Nina is nooit hertrouwd, geen van de weduwen van de 20ste juli is dat ooit: ‘diep verbonden aan hun mannen, voelden zij zich nooit vrij voor een andere relatie’.



Ze hebben het overleefd, Nina, haar drie zonen en dochter en de dochter Konstanze van wie ze in juli 1944 in verwachting was. Maar vraag niet hoe. Hardheid, een haast militaire strengheid en striktheid, in de eerste plaats jegens jezelf, blijkt de belangrijkste aristocratische deugd.

En dat is waar het doorgeven van de traditie uiteindelijk om draait, en dat is wat deze biografie van Nina van Stauffenberg tot zo’n mooi en waardevol boek maakt. Omdat er tegenwoordig geen historische overdracht van de ene generatie op de andere meer plaats heeft, ontbreekt het veel mensen aan historisch besef. Nina van Stauffenberg heeft een (nooit gepubliceerde) familiekroniek geschreven, en is in de naoorlogse jaren rusteloos op zoek geweest (afkomstig als zij was uit een familie waarin ook kleding en schoenen werden geërfd) naar de verloren gegane familiebezittingen omdat ieder voorwerp een herinnering in zich bergt en een schakel is in een keten van generaties, van wie zij zich de erfgename wist. Het belangrijkste dat je kunt doorgeven zijn echter niet zozeer de voorwerpen, verhalen en geschiedenissen, maar de waarden die zij belichamen.

'Zelfs in onheilvolle tijden werden tradities niet zomaar overboord gezet, een mentaliteit die men zich in een proces van eeuwen had eigen gemaakt’, schrijft Konstanze von Schulthess. ‘Het decorum handhaven, je niet laten gaan, ook al zijn de omstandigheden moeilijk, of zelfs uitzichtloos, dat was een houding die sterk samenhing met de overgeërfde familiegeschiedenis, die bepalend was voor de identiteit.’ De aanslag die Stauffenberg pleegde was een morele plicht geweest. Er moest moed worden getoond, omwille van de eer, en om de wereld te laten zien dat er wel degelijk verzet tegen Hitler was, wat het praktische resultaat van de aanslag ook zou zijn. In de wereld van de Von Stauffenbergs staan eer, edelmoedigheid en opoffering voor idealen centraal, overal en altijd. Toon levensmoed, zo luiden daar de levenslessen, en laat nooit blijken dat je bang of bedeesd bent. Weet met grimmig optimisme de zelfdiscipline en vooral de emotionele zelfbeheersing op te brengen die het mogelijk maken je eigen leven te blijven organiseren. Blijf altijd onafhankelijk want dat maakt je sterk.

Als Konstanze von Schulthess aan de eerste naoorlogse jaren terug denkt, dan, schrijft zij, ‘valt het me op dat ook al heerste er het grootste gebrek toch altijd de omgangsvormen in acht genomen werden. Niet alleen kleedde men zich voor de avondmaaltijd om, ook de tafel werd zorgvuldig gedekt. Met name mijn grootmoeder at de dunste soep nog met een air alsof ze kaviaar nuttigde. Dat de etiquette zo nadrukkelijk in acht genomen werd, was niet alleen een kwestie van stijl. Het had ook te maken met het vaste voornemen zich niet door de beproevingen van de periode na de oorlog kleinte laten krijgen.’

De biografie van Nina van Stauffenberg is een tribuut aan een levensstijl die helaas niet meer bestaat.












N.a.v.: Konstanze von Schulthess, Nina Schenk gravin von Stauffenberg
(Arbeiderspers, € 18,95)

* Eerder verschenen in HP/De Tijd.

Geschiedenisboeken en Pim Fortuyn

Mijn nieuwe column in de Elsevier van deze week is geschreven naar aanleiding van de presentatie van een biografie van de grootvader van Frits Bolkestein. Maar de column spitst zich toe op een geschiedenisboek voor de HAVO waarin valselijk wordt verkondigd dat Pim Fortuyn zijn besluit de politiek in te gaan 'een maand na de aanslagen in New York' zou hebben aangekondigd:

'... Ik heb er hier al eerder op gewezen dat sommige boeken heel rare dingen over Fortuyn te melden hebben: hij zou door ‘een onbekende man’ zijn doodgeschoten en zijn ‘scherpe opvattingen’ zouden hem op die manier ‘noodlottig’ zijn geworden (Elsevier van 13 september 2008). Het boek Geschiedenis Werkplaats (alweer een uitgave van Wolters Noordhoff, 2006) moet HAVO-leerlingen in de tweede fase een ‘historisch overzicht’ bijbrengen. Maar over Pim Fortuyn moeten zij leren dat hij zich ‘een maand na de aanslagen in New York’ (van 11 september 2001) kandidaat stelde voor de verkiezingen van mei 2002.
Iedereen weet (of kan even opzoeken) dat Fortuyn al eerder, eind augustus 2001, aankondigde dat hij de politiek in ging. Zijn laatste column in Elsevier (‘Ik kom eraan!’) is van 1 september 2001. Door het zo voor te stellen alsof hij dat deed na de aanslagen in New York, wordt gesuggereerd dat Fortuyn een xenofoob was die politiek gewin uit die aanslagen wilde halen....'

Lees de hele column in de Elsevier van deze week. U kunt zich hier abonneren.

9.1.09

2009

Volgens een bepaald gezegde is nieuws een afspraak tussen journalisten. Aan het begin van het nieuwe jaar lijkt dat nog waar te zijn ook. De kredietcrisis is (tijdelijk) van de voorpagina’s van de kranten en uit de openingen van de journaals verdwenen, en heeft plaats gemaakt voor de oorlog van Israël tegen Hamas (kol hakavod!) en de bevestiging van Ahmed Aboutaleb tot burgemeester van Rotterdam.

Dit eerste binnenlandse politieke nieuws dit jaar was voor velen een feestje en een bron van hoop voor 2009. In de raadszaal vrijwel alleen maar felicitaties, op de trappen van het stadhuis stonden welgeteld zes demonstranten die uiting wilden geven aan hun gevoelen dat de benoeming van een Marokkaanse burgemeester ‘een klap in het gezicht van de autochtone Nederlander’ is en dat we ‘in dit land’ helemaal verloren zullen zijn als we straks ook nog Turkse ministers gaan krijgen. Iets van die onvrede klonk binnen in het gemeentehuis door toen Marco Pastors, fractievoorzitter van Leefbaar Rotterdam, Aboutaleb een lege, aan de koning van Marokko geadresseerde envelop overhandigde zodat hij zijn paspoort naar Rabat kon terugsturen. Dat vond Aboutaleb misschien niet zo aardig, opperde Pastors zelf, maar ‘uw positie in ons land brengt deze morele plicht met zich mee’. De lange arm van Marokko, die de integratie van Marokkanen kan belemmeren, moet immers worden afgekapt.

De gebeurtenissen in Rotterdam sinds maart 2002 – toen Fortuyn met zeventien zetels in de gemeenteraad kwam – hebben dus in ieder geval dit opgeleverd: dat je van mening kunt verschillen en toch on speaking terms kunt blijven. En dat laatste wordt dan weer gedragen door een steeds bredere consensus over de gevolgen van decennia van een desastreus immigratie- en integratiebeleid. Terecht stelt Pastors met enige regelmaat vast dat zijn opvattingen en die van Aboutaleb op dit punt nagenoeg samenvallen, met dit verschil dat Aboutaleb als allochtoon kan zeggen wat Pastors alleen kan zeggen wanneer hij de beschuldiging van racisme op de koop toe wil nemen.

Zo gezien is er reden tot enig voorzichtig optimisme. Aboutaleb die het vuile werk in Rotterdam mag gaan opknappen, een recent gepresenteerd PvdA-rapport over integratie waar Pim Fortuyn zijn handtekening onder gezet zou hebben (en een paragraaf of wat over immigratie aan zou hebben toegevoegd) en een recent initiatief van een groep jonge Marokkanen die met het manifest NL2023 duidelijk willen maken dat zij – ondanks dan wel dankzij hun religieuze en culturele achtergrond – een constructieve bijdrage aan de toekomst van Nederland kunnen en willen leveren.

Natuurlijk blijft er ook genoeg te zeuren over. Wat mij heeft verbaasd is het excessieve geweld en vandalisme tijdens de oudejaarsnacht. Wat voor onvrede en rancune smeult er nog in de Nederlandse samenleving die bij zo’n gelegenheid naar buiten barsten?

Wat mij ook heeft verrast is dat de icoon van het links-liberale denken in Nederland, NRC Handelsblad, een van haar meest ervaren journalisten heeft opgeofferd nadat Geert Wilders in een interview had onthuld dat het zoontje van die journalist hem Wilders) via de mobiel van zijn vader met de dood had bedreigd. En dat die vader Wilders had gesmeekt geen aangifte te doen en dat hij zich zeer kritisch over Wilders had uitgelaten toen Wilders had geweigerd aan dat verzoek te voldoen. Het merkwaardige is dat dit gebeurde in een periode waarin Wilders onthulde dat hij overweegt om na de Europese verkiezingen met Vlaams Belang te gaan samenwerken. Voorheen werd de associatie met Filip Dewinter gebruikt om Wilders in diskrediet te brengen, nu veroorzaakte dit nieuws zelfs geen rimpeling in de hofvijver van de vaderlandse politiek en journalistiek.

En dan is er natuurlijk nog die rare financiële crisis, die ons vooral heeft geleerd hoe weinig wij in feite van de economie weten. Bos en Balkenende en het politieke midden hebben vertrouwen herwonnen (zegt men, hoopt men), maar wanneer deze crisis de ‘reële economie’ werkelijk gaat raken en de mensen de gevolgen werkelijk gaan voelen, kan dat zo maar weer voorbij zijn.

Of Wilders en Verdonk daar garen bij gaan spinnen? Of dat de staat zijn controle over het maatschappelijk leven alleen maar verder zal gaan uitbreiden? Wie zal het zeggen. Een eerste indicatie hoe ons land er politiek werkelijk voor staat krijgen we vermoedelijk pas in juni, met de Europese verkiezingen.

*) Deze column verscheen eerder in Binnenlands Bestuur.

7.1.09

Israël

In de Elsevier van deze week gaat mijn column over Israël:


'... Loyaliteit aan Israël is een morele plicht voor ieder mens die in de westerse beschavingstraditie is opgevoed. Als buitenpost van het Westen in het Midden-Oosten, als klein en democratisch land dat omringd wordt door staten die uit zijn op zijn vernietiging, heeft de staat Israël de taak zijn burgers tegen geweld van buitenaf te beschermen. Die staat is er gekomen omdat 2000 jaar geschiedenis duidelijk had gemaakt dat de Joden voor hun veiligheid niet op de welwillendheid van anderen konden vertrouwen. De geschiedenis van Israël sinds 1948 heeft duidelijk gemaakt dat overleven in de echte wereld, de wereld waarin wet noch recht gelden en waar de hoofdrolspelers zich al helemaal niets door het internationale recht laten gezeggen – een wereld ver verwijderd van het gebabbel in de Tweede Kamer - alleen mogelijk is met behulp van de methode Israël. Als je een vijand hebt, al is het maar omdat een land of geloof jou tot zijn vijand heeft verklaard, dan moet je niet gaan zitten afwachten wat die vijand gaat doen maar hem preventief bestrijden (in het binnenland bijvoorbeeld door administratieve detentie).

Het enige dat misschien zorgen wekt, is de strijdbaarheid van de Israëlische regering. Hamas heeft de afgelopen drie jaar 6.464 raketten op Israël afgevuurd. In plaats van Hamas direct aan te vallen, heeft Israël drie jaar lang gewacht, totdat de situatie ‘ondraaglijk’ was geworden en ‘de Israëli’s het gewoon niet meer konden verdragen’ (zei minister Tzipi Livni). Betekent dit dat de raketaanvallen van Hamas op Israël op een gegeven moment ook draaglijk kunnen zijn en dat Israël dan zal terugkeren tot een politiek van het zoeken van vrede met de Arabieren? Als dat zo is, dan betekent dat dat Israël inmiddels ook het modern-liberale axioma over geweld als ‘uiterste redmiddel’ heeft omhelsd.

Dat zou jammer zijn...'


Lees de hele column in de Elsevier van deze week. U kunt zich hier abonneren.

3.1.09

Leve het kapitalisme*

De Britse historicus Niall Ferguson schetst in een financieel-economische geschiedenis van de wereld de historische context van de huidige crisis. De uitvinding van het krediet is net zo belangrijk geweest als die van het wiel of de computer.

Niemand schijnt het te weten. De crisis die in de zomer van 2007 ineens in de Verenigde Staten uitbrak, zou ons niet raken. Toen die crisis toch ook ons land aandeed, zou de schade uiterst beperkt blijven omdat die economie van ons zo degelijk in elkaar stak. Toen de eerste banken in de problemen kwamen, heette het dat de crisis kortstondig zou zijn en onze ‘reële economie’ nauwelijks zou raken. Nu dat toch is gebeurd en de economie krakend tot stilstand komt, voorspellen politici ineens toch een recessie, maar die zal in 2010 wel weer uitgewoed zijn. Het aantal werklozen zal dan tot een half miljoen zijn opgelopen. Het laatste nieuws (premier Balkenende in zijn rol als gasthoofdredacteur van het Financieele Dagblad) is trouwens dat het nog lang niet zeker is dat de recessie in 2010 voorbij zal zijn. En Balkenende is nog niet uitgesproken of oud-minister Ruding van Financiën komt in dezelfde krant vertellen dat de crisis onze economie veel harder zal treffen dan het kabinet beweert. Er komt, zegt Ruding, zeker een krimp van 3 procent in plaats van de 0,75 procent die het Centraal Plan Bureau zegt te verwachten. Hij was amper uitgesproken of president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank zei hetzelfde.
Waarom zouden we dat eigenlijk allemaal nog geloven?
Het zijn niet de eerste de besten die ergens aan een tafel in een praatprogramma hun onwetendheid voortdurend schaamteloos etaleren. Het gaat om economen en politici, mensen die er een beetje voor hebben doorgeleerd. De Britse historicus Niall Ferguson was in november 2006 op een congres voor prominente beleggers, die blijkens de naam van hun conferentie (The Evolution of Excellence) blaakten van zelfvertrouwen. Zij zeiden daar ook dat aan alle grilligheden van de markt een einde was gekomen. De financiële markten waren immers efficiënt georganiseerd en de risico’s waren keurig gespreid en afgedekt. Ferguson wilde de congresgangers waarschuwen voor de blijvende risico’s in het systeem. Maar zijn waarschuwingen werden afgedaan als bangmakerij. Een van de aanwezigen stelde zelfs voor om de organisatie te vragen de volgende keer geen ‘spreker van buiten’ meer uit te nodigen maar de film Mary Poppins te laten zien.

En terwijl de beleggende wereld naar Mary Poppins ging zitten kijken, zette Ferguson zich schrap voor een studie van formaat: een financiële geschiedenis van de wereld. Ferguson beschrijft het ontstaan van het bankwezen, van de obligatiemarkten en van de aandelenhandel, van de verzekerings- en pensioenfondsen en de onroerendgoedmarkten. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw (met de New Deal van president Roosevelt) werden huishoudens om politieke redenen gestimuleerd om meer geld te lenen en dat in onroerend goed te beleggen. Zo ontstonden Fannie Mae en Freddie Mac, de corporaties waarmee de problemen in de zomer van 2007 begonnen.

Met dit boek, dat in de beste Angelsaksische tradities uitblinkt door een speelse combinatie van veelzeggende details en de grote lijnen van het compositorisch strakke overzicht, schetst Ferguson – met andere woorden – de historische context van de huidige crisis. Van die crises hebben we er sinds 1870 overigens al 148 achter de rug. Het gaat dan om financiële crises waarbij een land een achteruitgang van minstens 10 procent in de omvang van zijn bruto binnenlands product incasseert, met een economische krimp van zo’n 3 procent per jaar.

Niall Ferguson (Glasgow, 1964) is als weinig anderen gekwalificeerd om zo’n boek te schrijven. Ferguson is als historicus een internationale superster. Hij doceert aan Harvard en in Oxford en is verbonden aan het Hoover Institution van de universiteit van Stanford. Hij is van huis uit een financieel-economisch historicus. Hij schreef onder andere een geschiedenis van het huis Rotschild. Maar hij is vooral bekend geworden vanwege zijn grote overzichtswerken: geschiedenissen van de bloedige oorlogen van de twintigste eeuw (De grote oorlogen), van het Britse Rijk (Wereldrijk) en van het Amerikaanse imperium (Colossus). Van enkele boeken van Ferguson zijn ook tv-series gemaakt en die hebben natuurlijk vooral zijn ster doen rijzen. Hij behoort inmiddels, volgens Time, tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld, volgens Prospect Magazine staat hij nummer 60 op de lijst van de meest invloedrijke intellectuelen ter wereld.

Zijn financieel-economische expertise en zijn vermogen grotere overzichtswerken te schrijven, zijn op een prettige manier samengekomen in zijn nieuwste boek dat een financieel-economische geschiedenis van de wereld wil bieden. Het aardige is dat Ferguson niet meedoet aan de neiging van links om de crises van de afgelopen tijd te zien als het failliet van het vrijemarktkapitalisme. Integendeel. Ferguson legt geduldig uit dat de uitvindingen van de financiële sector onmisbaar zijn geweest voor onze vooruitgang. Financiële innovaties zijn de motor van de westerse beschaving.

‘Krediet en schuld’, schrijft Ferguson, ‘behoren tot de fundamentele bouwstenen van de economische ontwikkeling, en zijn even vitaal voor de rijkdom der naties als mijnbouw, industrie en mobiele telefonie. Armoede kan daarentegen slechts zelden direct worden toegeschreven aan de streken van inhalige financiers. Dikwijls heeft deze meer te maken met het gebrek aan financiële instellingen – met het ontbreken van banken en niet met hun bestaan.’

Banken, beurzen en beleggingsfondsen hebben de groei van de ‘reële economie’ mogelijk gemaakt. Zonder krediet en aandelen is het immers zo goed als onmogelijk een nieuw bedrijf op te zetten. Als er geen financiële sector was geweest, aldus Ferguson, zou onze economie nog steeds worden bepaald door keuterboeren die met noeste arbeid een stukje grond bewerken dat nauwelijks genoeg oplevert om de mensen te onderhouden.

Geld is bij tal van historische gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis geweest. Napoleon is bij Waterloo niet zozeer door de Engelse generaal Wellington verslagen als wel door de rol op de achtergrond van de bankiersfamilie Rotschild. Dat het Zuiden de Amerikaanse Burgeroorlog verloor kwam niet door de nederlaag van de confederale troepen bij Vicksburg in mei 1863, maar door het besluit van diezelfde Rotschilds om het Zuiden niet te steunen, alhoewel die staten hun politieke sympathie hadden. Geld heeft niet alleen het verloop van de geschiedenis gestuurd – nadrukkelijker dan wij ons meestal bewust zijn – maar is ook de wortel van bijna alle vooruitgang. Leve het kapitalisme, is dan ook de boodschap van het boek van de conservatieve Ferguson.

Ferguson heeft zijn boek in mei/juni van 2008 voltooid. De crisis die ons nu zo hard raakt, heeft niemand in de volle ernst en omvang zien aankomen, ook Ferguson niet. De situatie van vandaag lag tijdens het schrijven nog in een toekomst waarvan de aard onvoorspelbaar was. Ferguson voorspelde in 2006 al wel een liquiditeitscrisis, om de eenvoudige reden dat kennis van de financieel-economische geschiedenis hem had geleerd dat iedere zeepbel vroeg of laat barst.

Hij is van mening dat er niet alleen bonussen voor goede prestaties moeten worden verstrekt maar ook malussen voor slechte prestaties. En wanneer managers met aandelen en opties worden beloond, heeft dat een pervers effect. Het prikkelt hen namelijk om de waarde van de aandelen omhoog te manipuleren. Dat de verhouding tussen eigen en geleend kapitaal is zoek geraakt, is hierdoor veroorzaakt.

Verder is Ferguson uiterst voorzichtig. De age of leverage (waarin teveel geld wordt geleend en met dat geld wordt gespeculeerd) behoort misschien al wel tot het verleden. Maar een teveel aan regelgeving (of beter: nog meer regelgeving) belemmert financiële innovaties en die innovaties zijn altijd en overal de bron van vooruitgang.

En verder moeten we leren leven met de onvoorspelbaarheid van de toekomst. Want de geschiedenis – ook (of beter: juist) de financiële geschiedenis met zijn crises en crashes – is ongrijpbaar. Analyses en verklaringen kunnen pas achteraf worden gegeven. Er zijn heel veel toekomsten mogelijk, benadrukt Ferguson. Dat de waarheid daarvan iedere dag blijkt uit de woorden van politici en economen, krijgt daarmee bijna iets geruststellends, hoe groot de onzekerheid van onze financieel-economische toekomst ook blijft.

Niall Ferguson, Het succes van geld
uitgeverij Contact, € 34,95

* eerder verschenen in HP/De Tijd

2.1.09

Na 8 jaar Bush

Vanmorgen heb ik deelgenomen aan een (opvallend evenwichtige) uitzending van radio 1 (Dit is de dag) over acht jaar presidentschap van George W. Bush. De uitzending is hier te beluisteren. De hele uitzending is de moeite waard, maar mijn eigen bijdrage begint in het vierde deel.

In het Nederlands Dagblad van zaterdag 3 januari reageer ik op een artikel over Bush dat een minimum aan kennis met een maximum aan linkse onzin combineert. Hieronder de tekst van mijn reactie.


De Amerikaanse filosoof Robert Nozick heeft eens, in een beroemd geworden essay, de vraag aan de orde gesteld waarom intellectuelen toch zo vaak links zijn. Nozick’s antwoord komt erop neer dat slimme jongetjes in de samenleving vaak niet de erkenning krijgen die ze op school en de universiteit wel kregen. Topondernemers, topsporters en succesvolle politici zijn vaak niet de besten van de klas, maar verwerven in hun latere leven een sociale status waar geleerden en journalisten alleen maar van kunnen dromen. En dat terwijl zij toch zo veel intelligenter waren! Het daaruit voortvloeiende ressentiment doet hen als vanzelf in het progressieve kamp belanden.

Tijdens het lezen van het hierbij gaande artikel van Jan Hoogland heb ik steeds aan het essay van Nozick moeten denken. In de maand waarin Obama als de nieuwe president van de Verenigde Staten zal aantreden en de huidige president het Witte Huis zal verlaten, is het grote Bush-bashen begonnen. Hoogland doet daar ijverig aan mee. Als doctor in de filosofie, gepromoveerd op de metafysica van Theodor Adorno – met zijn boek over De dialectiek van de Verlichting de linkse criticus van de ‘repressieve, kapitalistische maatschappij’- en docent ‘reformatorische wijsbegeerte’ aan een zich universiteit noemende hogeschool in het oosten des lands, heeft hij voor het domme en rijke patriciërszoontje George ‘Double You’ Bush alleen maar hoon over. Dat mag natuurlijk, maar het is allemaal niet erg overtuigend: Hoogland presenteert zijn stelling niet alleen op een toon van diepe minachting, maar is ook beschamend slecht geïnformeerd en is in zijn eindconclusie verraderlijk.

Evenals de meeste Amerikaanse conservatieven, ben ik kritisch, en dat al jaren, op het presidentschap van Bush. Hij heeft natuurlijk goede dingen gedaan: hij heeft de belastingen verlaagd, voor conservatieve rechters in het Hooggerechtshof gezorgd en bij kwesties rondom abortus en stamcelonderzoek een helder pro-life standpunt ingenomen. Maar het is niet zo moeilijk daar een lijstje van links-progressieve zonden tegenover te stellen. Zo heeft Bush de overheidsuitgaven doen exploderen en heeft hij de rol van de federale overheid in Washington op terreinen als onderwijs en gezondheidszorg doen toenemen. Wat dat laatste betreft zou hij het dus niet slecht doen als leider van de ChristenUnie.

Amerikaanse conservatieven zien in het presidentschap van Bush de definitieve teloorgang – aangekondigd in flims als Metropolitan van Whit Stillman – van de cultuur van de WASP, de White Anglo-Saxon Protestant. Dat brengt een gevoel van verlies met zich mee waarvoor domme hoon – vergelijkbaar met de triomfantelijke toon van Herman Wijffels bij het uitbreken van de kredietcrisis - pijnlijk is.

Irak is weer iets geheel anders. Een mix van argumenten die zowel in de promotie van democratie, humanitaire interventie, verzet tegen nucleaire proliferatie en het opleggen van VN-resoluties bestond, heeft de Verenigde Staten doen besluiten Irak binnen te vallen. Deze vorm van Wilsonianisme had de instemming van alle vooraanstaande Democraten, terwijl veel traditionele conservatieven haar afwezen. Het land leek af te glijden naar een totale burgeroorlog, maar de surge (de inzet van extra troepen) van vorig jaar heeft een situatie geschapen waarin weer over de toekomst kan worden nagedacht. Zo heeft Bush een verdrag gesloten met de Iraakse premier al-Maliki over de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2011. Bush begrijpt in ieder geval dat er zoiets bestaat als het kwaad, en dat je, als je een vijand hebt omdat iemand jou nu eenmaal tot zijn vijand heeft bestempeld, de methode-Israël aanbeveling verdient: je wacht niet af om te bezien wat die vijand gaat doen, maar je valt hem aan voordat hij jou (opnieuw) schade kan toebrengen.

(Tussen haakjes: in Bush vallen ook zijn atletische capaciteiten te prijzen. In rust heeft Bush een hartslag van 45. Zo snel als hij reageerde op de schoenen die op die persconferentie naar hem werden gegooid, dat doet geen reformatorisch filosoof hem na.)

Ik weet niet of Hoogland wel eens in Amerika komt, en zo ja, of hij dan wel eens een goede conservatief spreekt, maar alles in zijn stuk wijst op het tegendeel. Zo gebruikt hij het woord ‘neoconservatief’ zonder ook maar één keer de indruk te wekken dat hij weet wat dat is. Hij verwijt conservatieven een ‘nogal kritiekloze’ verdediging van het vrije spel van de economische krachten, terwijl conservatieven altijd, voor zowel de rechtsstaat als de vrije markt, het belang hebben benadrukt van een cultureel fundament van waarden en deugden, die (o.a.) een ondeugd als de hebzucht breidelen. Hij verwijt Bush dat deze in zijn oorlog tegen het terrorisme heeft vergeten dat er altijd iets goeds in het kwade aanwezig is. Er zijn meer mensen dan Bush alleen die moeite hebben gehad om dat goede in het kwaad van het islamitisch terrorisme te ontwaren. Hij denkt dat conservatieven geen zelfkritiek meer kunnen opbrengen. Maar al jaren is binnen het Amerikaans conservatisme een invloedrijke beweging actief die van mening is dat de lange periode van macht het conservatisme heeft gecorrumpeerd en dat een herbronning hoogst noodzakelijk is. Daartoe worden nu ook nieuwe instituten opgericht.

Hoogland beschuldigt Bush ervan dat door zijn blunders de erosie van de westerse beschaving is ingezet. Maar anderzijds is Hoogland ook wel weer blij met die blunders van Bush. Hij vindt namelijk dat het misplaatste zelfvertrouwen en het morele superioriteitsgevoel van de Amerikaanse regering het Westen in een isolement en een kwaad daglicht hebben gemanoeuvreerd en dat zou best wel eens heel goed voor het Westen kunnen zijn. ‘Wij’ zullen meer rekening moeten gaan houden met anderen, onze rol zal minder dominant zijn en we zullen ‘een stukje’ moeten inleveren van onze ‘ongekende en onevenredige welvaart’.

Na die slotzin drong de conclusie van Nozick zich wel erg nadrukkelijk aan mij op. Iemand iets verwijten terwijl je met de consequenties ervan eigenlijk wel blij bent. De erosie van de westerse beschaving eigenlijk omhelzen, en de ‘morele kracht van opkomende beschavingen’ als China en Rusland prijzen. Je moet waarschijnlijk heel veel Adorno hebben gelezen om deze dialectiek te kunnen waarderen. Maar ik weet niet wat hier ‘reformatorisch’ aan is, ik weet zelfs niet wat hier progressief aan is, ik weet wel dat zich hier het verraderlijke van de progressieve klerk aandient.