Twitter Updates 2.2: FeedWitter

19.4.07

Nobele hottentotten

Recensie van Siegfried Huigen, Verkenningen van Zuid-Afrika. Achttiende-eeuwse reizigers aan de Kaap, Walburg Pers € 24,95.

Europese beschrijvingen van vreemde culturen waren bedenkelijke constructies om het koloniale streven naar macht en geld te rechtvaardigen, betoogde Edward Said tot vermoeiens toe. Het wordt tijd dat de universiteiten zijn boek uit hun curriculum verwijderen.

De verovering door Europese landen van grote delen van het Midden-Oosten en Afrika, en de uitbuiting van die werelddelen, is mogelijk gemaakt door het werk van geleerden die Afrikaanse en islamitische landen hadden bestudeerd en tot de conclusie waren gekomen dat daar maar minderwaardige mensen leefden. Het was daarom de taak van de blanke soort om er de beschaving te gaan verspreiden.

Dat althans is een mening die aan de universiteiten floreert en ook tot de klasse van de leraren, onderwijzers en journalisten is doorgedrongen. Zij zien het dan ook als hun taak diep gevoelens van schuld over ons koloniale en imperialistische verleden te verspreiden. Gevoegd bij het onbehagen over onze houding in de Tweede Wereldoorlog, leidt dat tot een schaamte en een mentaliteit die aan de oorsprong ligt van de inmiddels wijdverbreide opvatting dat het onze beschaving niet past zich om welke reden dan ook op de borst te kloppen omdat die hooguit anders en niet beter was dan welke andere ook.

De man die verantwoordelijk moet worden gehouden voor de verbreiding van dit simpele maar ook zo gemakkelijk toepasbare beeld is de Palestijns-Amerikaanse schrijver Edward Said (1935-2003). Hij publiceerde in 1978 een boek (Oriëntalisme) dat over de geschiedenis van de westerse houding tegenover het Oosten gaat, en het vak oriëntalistiek beschouwt als een machtige Europese, ideologische schepping waarin kennis in dienst stond van macht. Door de oosterse cultuur en gewoonten en de islam neer te zetten als de Ander, als exotisch, decadent, lui en wellustig, hebben westerse geleerden, schrijvers, filosofen en koloniale bestuurders het westen de legitimatie geboden om die landen te veroveren en uit te buiten – en de basis te leggen voor het vermaledijde Zionistische project.

Dat boek van Said is al decennia lang verplichte kost geweest voor studenten in tal van studierichtingen. Zij hebben dus geleerd dat hoogtepunten van de westerse beschaving altijd bezoedeld zijn geweest met racisme en imperialisme. Het Westen – de beschaving van democratie, economische groei en wetenschappelijke en technologische ontwikkeling – moest het Oosten redden, vond het zelf, van de tirannieke regimes, het terrorisme en het religieus fanatisme die er heersten – en misbruikten die misplaatste gevoelens van superioriteit om zijn invloed te doen gelden, macht te vestigen en olie te verkrijgen.

De dominantie van het door Said gepropageerde beeld van de houding van het Westen ten opzichte van andere culturen, lijkt echter op zijn retour. De Engelse schrijver en historicus Robert Irwin, bijvoorbeeld, heeft vorig jaar een anti-Said geschreven, een dik en onderhoudend boek over de oriëntalisten vanaf de zestiende eeuw tot heden (For Lust of Knowing: The Orientalists and Their Enemies). Volgens Irwin werden zij niet door politieke of ideologische interesses gedreven maar door een gedeelde obsessie: nieuwsgierigheid en het zuivere verlangen naar kennis.

Het boek van Irwin is een manmoedige poging de geest van Said te verdrijven. Hij noemt het boek van Said, hoe ongebruikelijk zo’n hard oordeel ook mag zijn in een beleefd academisch debat, het product van kwaadwillende charlatanerie waarin eerlijke fouten moeilijk van een moedwillige verkeerde voorstelling van zaken te onderscheiden zijn. ‘Met deze aanval op Saids belangrijkste boek zal ik naar ik vrees enkele vrienden van mij vervreemden en zal ik ook oude vijanden heel erg boos maken; en ik doe dat met alle plezier’.

Siegfried Huigen (1959) – hoogleraar Nederlandse en koloniale letterkunde aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika – noemt Irwin niet in zijn nieuwe boek Verkenningen van Zuid-Afrika: Achttiende-eeuwse reizigers aan de Kaap, dat deze week verschijnt. Maar zijn studie naar de beschrijvingen die reizigers in zuidelijk Afrika hebben nagelaten, zou je kunnen zien als een nuchtere en feitelijke onderbouwing van het gelijk van Irwin en het ongelijk van Said.

Zuidelijk Afrika speelde een belangrijke rol in de Europese beeldvorming van Afrika. In West-Afrika, waar Europeanen een reeks van forten hadden gebouwd om van daaruit slaven naar de Nieuwe Wereld te vervoeren, waagden zij zich niet in het zo goed als ondoordringbare binnenland. Alleen vanuit de Kaap – een gebied dat na de stichting van de ‘volksplanting’ door de VOC in 1652, in de achttiende eeuw tot een gebied zo groot als Spanje was uitgegroeid - konden Europese reizigers en wetenschappers per ossenwagen diep het binnenland in reizen. Dat hebben zij dan ook gedaan, en van hun reizen hebben zij verslagen, vaak met illustraties, nagelaten waarin zij ook de cultuur en het uiterlijk van de inheemse bevolking hebben beschreven.

Huigen heeft die reisverslagen gelezen en komt tot verrassende conclusies.
De beschrijvingen van het leven in de Kaapkolonie – van de Tafelberg en giraffen tot inheemse vrouwen – is in de eerste plaats vaak bijzonder sympathiek. Terwijl reizigers in de zestiende en zeventiende eeuw de inheemse Hottentotten (tegenwoordig aangeduid als Khoikoi) als stinkende en merkwaardig pratende wezens hadden neergezet, waren achttiende-eeuwse reizigers veel positiever. Typerend is de beschrijving die de Duitse wetenschapper Peter Kolb (1675-1726) in 1719 van ‘de huidige toestand van de Kaap de Goede Hoop’ gaf. Hij vertrouwde alleen datgene aan het papier toe dat hij met eigen ogen had gezien, en legde zich vooral toe op de Hottentotten die hij als ‘nobele wilden’ beschreef. Hij prijst hun deugden, en zag hen als voorbeeldige mensen.

Het aardige is dat dit boek van Kolb, dat in de belangrijkste Europese talen werd vertaald, door niemand minder dan de Verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau werd gebruikt om zijn visie op de gelukkige natuurtoestand van de mens te onderbouwen.
Een achttiende-eeuwse legerofficier van de VOC, Robert Jacob Gordon, schreef zelfs dat de Europese waarnemer zich vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief niet door de schijnbare vreemdheid van niet-westerse mensen moet laten bedriegen. ‘Het frappeert iemand dewelke onder verschillende wilden reist, deselve mensch te vinden, al schijnt het in den eerste opslag anders’.

Met die sympathie voor de inheemse bevolking ging veelal een scherpe kritiek op de kolonisten en het Nederlandse koloniale bestuur gepaard. Die waren lui, dom, volgevreten en wreed.

Reizende wetenschappers uit Europa laboreerden dus niet aan de euvels waarvan Said hen betichte: dat zij een negatief beeld van de inheemse bevolking schetsten in dienst van het koloniale regime. Zij sympathiseerden zeker niet met de kolonisten en beschreven de Hottentotten en anderen niet als onderdeel van een gevaarlijk dierenrijk. Het wordt dus hoog tijd dat universiteiten Said uit hun curriculum gaan verwijderen en hem vervangen door boeken als die van Irwin en Huigen. De postkoloniale theorie van Said en zijn navolgers wilde immers slechts aantonen dat de westerse ‘representatie’ van de Ander autistisch was. Een nuchtere beschrijving van de feiten maakt duidelijk dat juist die theorie in autisme gevangen zit, en de dienstmaagd is geworden van een riskante politieke correctheid.

*) Eerder verschenen in HP/De Tijd.

13.4.07

Als we niets doen sterft onze cultuur

Europa reproduceert zichzelf niet meer, pleegt daarmee zelfmoord en zal geïslamiseerd worden, schreef de Canadese publicist Mark Steyn in een nogal alarmerend artikel dat Opinio op 16 maart publiceerde. Maar op welke veronderstellingen en aannames was zijn klaroenstoot gebaseerd? Kloppen de demografische feiten waar Steyn van uitging? Welke ontwikkelingen doen zich nu precies voor? Wat zijn daarvan de oorzaken en gevolgen? En kunnen we nog iets doen om een Europese zelfmoord, als daar al sprake van is, te voorkomen?

In een interview afgenomen door Diederik Boomsma en mij en verschenen in het nieuwste nummer van Opinio met Franz-Xaver Kaufmann, gaat deze internationaal vermaard demograaf en socioloog uitgebreid in op deze vragen.

De burgertrut, de minister, en de prinsjes

Drukte op de Amsterdamse Keizersgracht, vorige week woensdag: een lange rij mensen schuifelde langzaam naar de ingang van de Rode Hoed, waar Fleur Jurgens – journaliste, filosofe, en zelfbenoemde ‘burgertrut’ – haar boek over de problemen met onze Marokkaanse prinsjes presenteerde. Lang niet alle gegadigden konden die avond een stoel in het debatcentrum bemachtigen, zoals de organisatie eerder al 3000 andere gegadigden had moeten teleurstellen.

Ik zat er wel, en terwijl Fleur Jurgens haar stellingen over de politiek-correcte hiaten in de analyse van het ‘Marokkanendrama’ (de titel van haar lezenswaardige boek) dapper verdedigde tegen een pluk professionals uit hulpverlenersland die haar – zoals te verwachten viel – van stigmatisering en andere erge dingen beschuldigde, zat ik na te denken over de vraag waarom er zoveel belangstelling was voor deze avond. Een deftig avondje over ‘het islamdebat’ zou inmiddels niet meer dan een halfvol zaaltje hebben getrokken. Dat debat is inmiddels aardig in kaart gebracht de afgelopen jaren, en waar de mensen nu nog voor warm te krijgen zijn, zo blijkt, dat is de dagelijkse overlast en de intimidaties. De glimlach van Geert Wilders zweefde boven deze avond.

Ik begreep dat daar ineens omdat ik terugdacht aan een gesprek dat ik onlangs had met een keurige meneer (leraar op een christelijke middelbare school, stemt CDA of CU, denk ik) die mij duidelijk aangeslagen vertelde dat zijn zoon van achttien een Lonsdale-trui was gaan dragen. Hij had zijn best gedaan zijn zoon daar vanaf te krijgen, maar had het antwoord schuldig moeten blijven toen zijn zoon hem een paar eenvoudige vragen had gesteld. Of hij vroeger nog gewoon door de winkelstraat kon lopen zonder dat hij het gevaar liep zijn Nike’s uit te moeten trekken. Of hij, toen hij nog op de middelbare school zat, met zijn vrienden en vriendinnen gewoon naar het zwembad had gekund. Of hij op koopavond de binnenstad in kon. En wat hij ervan vond dat hij, die zoon, nadat hij in een cafetaria een Marokkaan had neergeslagen die zijn patat uit zijn bakje was gaan zitten eten, een nacht had moeten zitten terwijl die Marokkaan en zijn vriendjes gewoon weer naar buiten konden lopen, omdat de eigenaar van de cafetaria tegenover de politie niet had durven vertellen wat er werkelijk was gebeurd.

Onze nieuwe minister voor ‘Wonen, Wijken en Integratie’, de ex-communiste Ella Vogelaar (PvdA), bracht onlangs een werkbezoek aan de Utrechtse wijk Kanaleneiland, en een groep Marokkaanse jongens hadden haar daar heel erg boos aangekeken. Was ze erg van geschrokken, onze mevrouw Vogelaar. ‘Geen lieverdjes’, die jongens, zei ze zaterdag in een interview met de Volkskrant. Maar gut, wat wil je? Die Marokkaanse jongens hebben ‘giga schulden’, maar de mensen van de ‘schuldhulpsanering’ hebben wachtlijsten van ‘an-der-half jaar!’, en dus staan de incassobureaus gewoon aan de deur, en ja, dan tik je als Marokkaans prinsje dus gewoon maar weer een autoruitje in.

Vragen de Volkskrant-journalisten of die uitdrukking ‘geen lieverdjes’ niet ‘erg eufemistisch’ is, en of mevrouw werkelijk van mening is dat die ingeslagen autoruiten aan de gebrekkige medewerking van de schuldhulpverlening moeten worden toegeschreven. (Ik zou héél voorzichtig worden als ik van de PvdA was en van Volkskrant-journalisten dit soort tegenwerpingen kreeg.)

Mevrouw ontkent dan natuurlijk weer een beetje, maar je hoeft haar niets te vertellen over ‘het mechanisme’ en ‘het proces’ waardoor de dingen met onze Marokkanen lopen zoals ze lopen.

Het boek van Fleur Jurgens is hard en overtuigend. En ze vervalt niet in zwarte wanhoop, omdat ze gelooft in de eigen verantwoordelijkheid van mensen. En daarop moeten ook de Marokkaanse prinsjes worden aangesproken. Dat vindt ook Ahmed Marcouch, de ‘burgemeester’ van Slotervaart/Overtoomse Veld, die ook in de Rode Hoed zat, en Jurgens’ analyse deelde, en evenals zij gelooft in een harde oplossing door de prinsjes en hun ouders voor hun daden verantwoordelijk te stellen.

Maar onze minister rept slechts verontschuldigend van mechanismen en processen. De mens kan maar weinig realiteit verdragen, dichtte T. S. Eliot al. Zoals mevrouw Vogelaar als communiste de ‘schaduwkant’ van het Sovjet-communisme ontkende, zo onderhoudt zij ook nu nog een problematische verhouding tot de werkelijkheid. Ik ben bang dat zelfs het boek van Fleur Jurgens daar bij deze mevrouw geen verandering in zal kunnen brengen.

*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.

2.4.07

Schuilen in het volle licht

Recensie*) van: Christiaan Snouck Hurgronje, Mekka in the Latter Part of the 19th Century Brill. € 69,00/Mekka in de tweede helft van de negentiende eeuw, Atlas. € 39,90

In Leiden is een internationaal vermaarde uitgeverij gevestigd die sinds 1683 bestaat en een grote reputatie heeft gevestigd met geleerde publicaties over met name de klassieke oudheid en de islam. Van dit huis, E. J, Brill, is het standaardwerk The Encyclopedia of Islam een van de paradepaardjes. ‘Het Oostersch Antiquarium’ was de naam van het antiquariaat dat lang aan deze uitgeverij verbonden is geweest. Uitgeverij Brill, vanouds nauw gelieerd aan de universiteit, is het symbool van de traditie van kennis op het terrein van de klassieke en semitische talen en culturen zoals die eeuwenlang in Nederland heeft bestaan.

In een nieuwe reeks herdrukken van klassieke studies over de islam is bij Brill een heruitgave verschenen van het beroemde boek over de heilige stad Mekka van de fameuze oriëntalist Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936). Om precies te zijn: Snouck publiceerde in 1888-1889 een driedelig werk, in het Duits, waarvan het eerste deel de geschiedenis van Mekka beschreef, het tweede de situatie in Mekka zoals Snouck die eind negentiende eeuw aantrof, en het derde deel een keur aan contemporaine foto’s bood. De herdruk van Brill betreft de Engelse vertaling van het tweede deel die in 1931 verscheen en een kleine keuze uit de foto’s bevat. Tegelijkertijd is bij uitgeverij Atlas nu voor het eerst een Nederlandse vertaling verschenen van dat tweede deel, met alle foto’s van het oorspronkelijke derde deel en een lange inleiding van Snouck-kenner Jan Just Witkam. Het is een chique, gebonden uitgave geworden, ruim 600 pagina’s dik.

Snouck staat dezer dagen, 150 jaar na zijn geboorte, in de belangstelling. Behalve deze twee uitgaven van zijn boek over Mekka, zijn er ook twee tentoonstellingen, allebei in Leiden, waarbij die in de universiteitsbibliotheek over zijn leven gaat en die in het Rijksmuseum voor Volkenkunde de 156 voorwerpen laat zien die Snouck uit Mekka meenam.

Een (hernieuwde) kennismaking met Snouck via deze boeken en tentoonstellingen is een groot plezier. Hij was een kleurrijke figuur, zoon van een ondeugende dominee, student theologie die zijn studie inwisselde voor die van de semitische talen en al op 23-jarige leeftijd met de hoogste lof op de hadj (de bedevaart naar Mekka) promoveerde. Als een van de eersten kwam hij op het idee om de islam niet alleen vanuit boeken en oude handschriften te bestuderen, maar het dagelijks leven en de godsdienstige rituelen van moslims ter plaatse te gaan bekijken. Om dat leven beter te leren kennen reisde hij in 1884 naar Saoedi-Arabië, bekeerde er zich tot de islam, bewees dit door zich te laten besnijden, en was niet te beroerd om bij het betreden van de voor niet-gelovigen verboden stad zijn van de voorhuid ontdane lid te laten inspecteren. Hij nam de naam ‘Abd al-Ghaffār (dienaar van de vergevende God) aan, huwde een Ethiopische slavin, keek in Mekka goed om zich heen, maakte er als eerste Europeaan foto’s, en legde wat hij daar zag en hoorde vast in dat boek over Mekka. ‘Schuilend in het volle licht’, zoals hij zelf zei, kon hij ‘voortdurend zien zonder gezien te worden’.

Zijn grondige kennis van de islam en zijn perfecte beheersing van het Arabisch zorgde ervoor dat Snouck bij terugkeer in Nederland benoemd werd tot adviseur van de Nederlandse regering bij de pacificatie door Van Heutsz van Atjeh in Nederlands-Indië. Nadat hij die opdracht had vervuld trad hij (in 1906) aan als hoogleraar in Leiden.

Ondanks zijn bekering en nieuwe naam spreidde Snouck niet de eerbied ten toon die Allah, zo stel ik mij voor, gewoon is van de aan hem onderworpenen te eisen. In zijn proefschrift had hij al heel provocerend vastgesteld dat de rituelen van de pelgrims in Mekka een voortzetting waren van heidense, pre-islamitische gebruiken die Mohammed om puur opportunistische redenen in zijn nieuwe geloof/krijgsleer had geïncorporeerd. In Mekka beschreef hij religie als een sociaal fenomeen, en liet hij er geen onduidelijkheid over bestaan dat religie ten diepste, wat hem betreft, niet meer was dan handel – in geld, invloed en macht. Woekeraars, bedelaars en hoeren bepalen het straatbeeld van Mekka in Snoucks boek.

Tegelijkertijd was hij zich diep bewust van de gevaarlijke aspecten van het islamitisch geloof zodra dat politieke aspiraties kreeg. Zijn reis naar Mekka en zijn verblijf daar waren niet alleen bedoeld om een bijdrage aan de islamwetenschap te leveren. De financiële ondersteuning van zijn missie door de Nederlandse overheid had een politiek doel: Snouck moest uitvinden in hoeverre de politieke boodschap van de islam, en haar wereldwijde aspiraties, weerklank vond onder de djāwa, de kolonie in Mekka van pelgrims afkomstig uit delen van Nederlands-Indië. Door de kennis die hij hieromtrent opdeed, was hij in staat de opstand op Atjeh te zien als islamitisch geïnspireerd verzet en adviseerde hij daarom tot hardhandig militair ingrijpen, om de vrede daarna via een uitgekiende welvaartspolitiek te handhaven.

Zijn kennis van de islam heeft Snouck zijn opdrachtgevers niet alleen via talloze beleidsadviezen ten goede laten komen, maar ook via vier lezingen over Nederland en de islâm die hij in 1911 voor de ‘Nederlandsch-Indische bestuursacademie’ heeft gehouden. Daarin geeft hij het Nederlandse bestuur de raad om zich nooit te mengen in discussies over de islamitische dogmatiek of aan de uitoefening van islamitische rituelen restricties op te leggen. Maar wees altijd op je hoede voor de ideeën die in islamitische kringen circuleren, zo hield hij zijn gehoor voor, en bied de islam geen enkele gelegenheid haar ideeën naar het seculiere domein te verbreiden. Bestrijd de politieke islam, en zorg via het onderwijs voor een verwestersing van het denken, zodat de islam van binnenuit verandert.

Deze raad is vandaag misschien wel actueler dan destijds. Maar de publicaties van Snouck, die alles al wist, en de lange traditie van academische kennis en geleerde uitgeverijen die hier in Nederland vanaf de zeventiende eeuw heeft bestaan en in het werk van Snouck als het ware een hoogtepunt bereikte, hebben niet kunnen voorkomen dat we ons op 11 september 2001 hebben laten verrassen door de radicale islam – ondanks de waarschuwingen van Khomeini (in een brief aan Gorbatsjov uit 1989) en ondanks de jihad-verklaring van Osama bin-Laden uit de tweede helft van de jaren negentig.

Dit plaatst ons voor het raadsel van de vergetelheid: blijkbaar is het zo dat een beschaving kennis van en ervaring met een vijand kan hebben, maar die kennis en ervaringen weer kan vergeten. Misschien komt dat, in dit geval, omdat het Westen het in de twintigste eeuw te stellen heeft gehad met twee andere totalitaire ideologieën – nazisme en communisme – die alle aandacht opeisten. En toen ook die laatste was verslagen, geloofden we in de jaren negentig dat het begin van een eeuwige vrede was aangebroken, en beschouwden we het benoemen van de radicale islam als nieuwe vijand als doorzichtige pogingen van veiligheidsdiensten en –organisaties om hun bestaan en budgetten in stand te houden.

En wat ook een rol moet hebben gespeeld, is de verandering van de aard van het vak dat Snouck beoefende. Dat is inmiddels, dankzij Edward Saïd, weggezet als een discipline die westerse expansie en annexatie moest rechtvaardigen, die zich in dienst had gesteld van politieke manipulatie en slechts een vrucht was van verbeelding en daarom naar het rijk van de cultuur en de literatuur moest worden verbannen. De Leidse universiteitshistoricus Willem Otterspeer schreef onlangs dat met de vertaling van Snoucks boek over Mekka de Nederlandse literatuur er een meesterwerk bij heeft (de Volkskrant van 16 maart 2007).

Maar zolang we Snouck uitsluitend zo blijven lezen, en geen aandacht schenken aan zijn politieke adviezen, zullen we ons ongetwijfeld blijven laten verassen door de vijand die hij al doorzag.

*) Ook gepubliceerd in HP/De Tijd.